Naar boven ↑

Rechtspraak

Oostwings B.V./Bewindvoerder
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 9 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:1846
Uitzendbureau beƫindigde de uitzendovereenkomst onrechtmatig. Toekenning gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding. Bewindvoering.

Feiten

Werknemer werkte als uitzendkracht fase 3 voor Oostwings. Volgens Oostwings heeft werknemer op enig moment zelf ontslag genomen en is daarom de uitzendovereenkomst tussen partijen geëindigd. Werknemer ontkent dat hij zelf ontslag heeft genomen. De laatste overeenkomst betrof een zogenoemde ‘uitzendovereenkomst fase 3’, die liep van 2 september 2024 tot 2 september 2025, laatstelijk tegen een salaris van € 2.395,20 bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld en reserveringen. Zijn functie was turnaround planner. De inlener waar werknemer werkzaam was, heeft op 7 februari 2025 aan Oostwings bericht dat werknemer zijn laatste werkweek in ging. Werknemer heeft zich op 10 februari 2025 ziekgemeld, welke ziekmelding door Oostwings niet werd geaccepteerd. In een e-mail van 12 februari 2025 bericht werknemer dat hij zich bij het UWV zou gaan melden. Eind februari 2025 bericht Oostwings aan de bewindvoerder dat werknemer telefonisch heeft aangegeven per direct ontslag te nemen. In eerste aanleg heeft de bewindvoerder verzocht Oostwings te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, reserveringen, vakantietoeslag, vergoedingen en wettelijke verhoging. Werknemer betwist dat hij ontslag heeft genomen. De kantonrechter heeft de verzoeken van werknemer toegewezen. Oostwings verzoekt in hoger beroep de beschikking te vernietigen en de verzoeken van/namens werknemer niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, met veroordeling van werknemer in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Nu er een verzoek is ingediend door een niet bestaande bewindvoerder, behoort het verzoek te worden afgewezen (grief 1). De verzoeken van werknemer zijn ten onrechte toegewezen, aangezien er geen sprake is geweest van een opzegging door Oostwings (grief 2). Er is ten onrechte geen rekening gehouden met een lening van € 11.080 die werknemer nog moet terugbetalen (grief 3). Er is ook geen rekening mee gehouden dat werknemer te veel loon uitbetaald heeft gekregen voor in totaal 40 niet gewerkte uren bij opdrachtgever Brunel. Oostwings heeft hierdoor € 2.662 aan Brunel moeten terugbetalen (grief 4).

Oordeel

Ontvankelijkheid

Oostwings stelt zich op het standpunt dat de in het verzoekschrift genoemde partij, de beoogde bewindvoerder, een niet bestaande partij is omdat geen besloten vennootschap als bewindvoerder staat vermeld. Het hof oordeelt dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dagvaardingszaken een vergissing in de partijaanduiding door een rectificatie kan worden hersteld indien (a) de vergissing onder de gegeven omstandigheden voor de processuele partij kenbaar was, (b) de wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging is geschaad, en (c) de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden. Niet is gesteld of gebleken dat Oostwings in enig (processueel) belang is geschaad doordat de bewindvoerder in de procedure in eerste aanleg is aangeduid zonder de toevoeging ‘B.V.’. Van de door Oostwings bepleite niet-ontvankelijkheid kan dan ook geen sprake zijn.

Beoordeling grieven

Het hof is van oordeel dat niet is bewezen dat werknemer op 7 februari 2025 zelf ontslag heeft genomen, omdat een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring ontbreekt. Dat werknemer zelf ontslag zou hebben genomen of berust zou hebben in een ontslag, volgt niet uit de e-mails die Oostwings in dit verband over heeft gelegd. Ook heeft Oostwings werknemer niet voldoende geïnformeerd over de gevolgen van de ontslagname. Vast staat dat werknemer de arbeidsovereenkomst niet heeft opgezegd en ook niet heeft ingestemd met een beëindiging daarvan. Vast staat ook dat Oostwings na 31 januari 2025 geen salaris meer heeft betaald én dat zij een eindrekening heeft opgemaakt. Op grond van deze handelswijze van Oostwings moet ervan worden uitgegaan dat zij de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd terwijl werknemer niet heeft ingestemd met deze beëindiging. Er is sprake van een onregelmatige opzegging. Het hof kent werknemer onder meer een gefixeerde schadevergoeding van € 5.634,16 bruto toe, een transitievergoeding van € 2.703,03 bruto en een billijke vergoeding van € 3.219,52 bruto. De eerder toegewezen betaling van achterstallig loon c.a. blijft in stand. De verzoeken van Oostwings, zoals verwoord in haar grieven 3 en 4, moeten worden aangemerkt als een zelfstandig (tegen)verzoek zoals bedoeld in artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dat bepaalt dat in hoger beroep niet voor het eerst een zelfstandig (tegen)verzoek kan worden gedaan. Dat betekent dat de verzoeken van Oostwings reeds hierom stranden.