Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Arkin c.s.
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5370
Werkdruk van werkneemster was hoog, maar werkgever heeft daarvoor voldoende oog gehad en maatregelen genomen. Van gevaarlijke of schadelijke werkomstandigheden in de zin van artikel 7:658 BW is geen sprake geweest.

Feiten

Werkneemster is op 1 februari 2011 in dienst getreden bij Arkin in de functie van arts niet in opleiding en is vanaf juni 2013 werkzaam als arts in opleiding binnen de Master in Addiction Medicine (MIAM). Vanaf oktober 2013 vervulde zij haar eerste opleidingsplek bij Mentrum, waar zij zou worden opgeleid in het detoxificatieproces. In de loop van 2013 en 2014 ontstaan er spanningen over de samenwerking met haar begeleider en haar functioneren, waarna in 2014 gesprekken plaatsvinden en een 360-gradenfeedback wordt gegeven met zowel positieve als verbeterpunten. Werkneemster meldt zich in februari 2014 ziek en start in maart 2014 met re-integratie. De bedrijfsarts constateert dat er sprake is van werk- en opleidingsgerelateerde klachten en adviseert overleg tussen werkneemster en haar leidinggevende. In mei 2014 wordt besloten dat werkneemster de MIAM-opleiding niet langer bij Arkin kan vervolgen en zij wordt per 1 juni 2014 overgeplaatst. Daarna volgen meldingen over werkdruk en maandelijkse gesprekken over productiecijfers. Werkneemster meldt zich opnieuw ziek in januari 2015 en valt in oktober 2015 opnieuw volledig uit. De bedrijfsarts constateert dat de klachten werkgerelateerd zijn en adviseert mediation. Werkneemster wordt in november 2015 opgenomen met burn-outklachten en PTSS-achtige klachten waarbij werkbelasting als oorzaak wordt genoemd. Het UWV oordeelt dat de re-integratie-inspanningen van Arkin onvoldoende zijn. In 2016 vindt mediation plaats en verricht werkneemster tijdelijk werkzaamheden bij een andere zorginstelling in het kader van tweedespoorre-integratie. In 2017 en 2018 volgen medische adviezen waaruit blijkt dat de psychische klachten in overwegende mate samenhangen met de werksituatie. Uiteindelijk wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. In 2019 stelt werkneemster Arkin aansprakelijk voor schade als gevolg van arbeidsomstandigheden en gestelde tekortkomingen in re-integratie.

Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat Arkin aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de arbeidsomstandigheden en het niet nakomen van re-integratieverplichtingen in de periode 2013 tot en met 2018. Daarnaast vordert zij vergoeding van alle materiële en immateriële schade, met nevenvorderingen en proceskosten. Zij stelt dat sprake was van een structureel onveilige werkomgeving met hoge werkdruk, onduidelijke organisatorische kaders, onderbezetting, problemen rond werkverdeling en registratie, en pestgedrag, waardoor zij psychische klachten heeft ontwikkeld en Arkin haar zorgplicht heeft geschonden. Arkin voert primair aan dat de vorderingen zijn verjaard. Subsidiair betwist Arkin dat sprake was van een schending van de zorgplicht of van schadelijke arbeidsomstandigheden. Volgens Arkin is de werkdruk niet buitensporig geweest, is steeds voldoende gereageerd op signalen uit de organisatie en zijn re-integratieverplichtingen nagekomen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat de vordering niet is verjaard, omdat de door werkneemster gestuurde stuitingsbrief van 4 februari 2019 als geldige stuitingshandeling geldt en voldoende is aangetoond dat deze Arkin heeft bereikt.

Aansprakelijkheid

Ten aanzien van de aansprakelijkheid past de kantonrechter de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe, waarbij werkneemster moet stellen en aannemelijk maken dat zij is blootgesteld aan omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en dat zij klachten heeft die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.

De kantonrechter stelt vast dat de werkdruk bij Arkin en voor werkneemster hoog was en dat er sprake was van structurele signalen over overbelasting, onderbezetting en hoge productiedruk. Tegelijkertijd is niet gebleken dat Arkin haar zorgplicht heeft geschonden. Uit de stukken volgt dat signalen serieus zijn genomen, dat leidinggevenden actief hebben ingegrepen en dat organisatorische maatregelen zijn getroffen, zoals aanpassing van agenda’s, beperking van spreekuren, extra personele inzet en het vervullen van vacatures. Ook is niet komen vast te staan dat sprake was van pestgedrag, een structureel onveilig werkklimaat of het bewust creëren van een te hoge werkdruk. Evenmin is gebleken dat de beëindiging van de opleiding onrechtmatig was of dat werkneemster onder onjuiste druk werd geplaatst. Klachten over productiecijfers, werkverdeling en organisatorische aspecten zijn onvoldoende onderbouwd om een normschending aan te nemen. Verder oordeelt de kantonrechter dat ook de re-integratie-inspanningen van Arkin niet zodanig tekortschoten dat sprake is van schending van de zorgplicht. Hoewel het UWV eerder heeft geoordeeld dat de inspanningen onvoldoende waren, volgt daaruit niet dat er sprake is van een ernstige tekortkoming. Het geheel van omstandigheden leidt ertoe dat er geen sprake is van een gevaarlijke of schadelijke werkomgeving in de zin van artikel 7:658 BW.