Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/G4S Aviation Security B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 22 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:6517
De kantonrechter is van oordeel dat van verjaring geen sprake is, nu in 2021 door een arts het verband is gelegd tussen de klachten van verzoeker en zijn werkomstandigheden. Verzoeker heeft verweerder op 22 maart 2024 aansprakelijk gesteld. Op dat moment was zijn vordering nog niet verjaard.

Feiten

Werknemer is in dienst geweest van G4S. Werknemer heeft G4S op 22 maart 2024 aansprakelijk gesteld voor zijn schade. GS4 stelt als bevrijdend verweer dat de vordering van werknemer is verjaard. Zij baseert zich op een e-mail die werknemer aan zijn leidinggevende heeft gestuurd waarin hij klaagt over klachten aan zijn stuitje en over de werkplek. Ook baseert GS4 zich op een ziekmelding van werknemer van november 2018. GS4 stelt dat uit deze berichten volgt dat werknemer wist waardoor zijn klachten werden veroorzaakt. Eiser verzoekt de kantonrechter te bepalen dat zijn vordering jegens G4S niet is verjaard en GS4 te veroordelen tot betaling van de kosten in het deelgeschil.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat van verjaring nog geen sprake is. De verzekeraar van werknemer heeft geen eigen vordering op G4S en is niet-ontvankelijk. Uit rechtspraak volgt dat de verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde (in dit geval werknemer daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – en dat hoeft geen absolute zekerheid te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon (in dit geval G4S). Uit deze rechtspraak volgt ook dat als er sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake kan zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid – die (opnieuw) geen absolute zekerheid hoeft te zijn – pas aanwezig zijn wanneer de oorzaak door deskundige artsen is gediagnosticeerd. Hoewel werknemer in 2018 zelf het vermoeden had dat zijn klachten veroorzaakt werden door zijn werkomstandigheden betekent dat niet dat er daarom van uit mag worden gegaan dat er sprake is van daadwerkelijke bekendheid met zijn schade. Werknemer is immers zelf geen medisch deskundige. Op basis van deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat G4S niet is geslaagd in haar bewijslast dat de vordering van werknemer was verjaard op het moment dat hij G4S aansprakelijk stelde voor zijn schade. Hoewel werknemer in het verzoekschrift een bedrag noemt van € 4.320 heeft werknemer onder het petitum een bedrag gevorderd van € 3.600, te vermeerderen met het griffierecht. De kantonrechter gaat van dat laatste bedrag uit. G4S voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is. De kantonrechter is van oordeel dat de door werknemer gevorderde kosten moeten worden gematigd. Dat heeft te maken met de (relatief eenvoudige) vraag die in dit deelgeschil aan de orde is gesteld en het feit dat de door werknemer opgevoerde kosten niet met stukken zijn onderbouwd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de hoogte van het uurtarief van de gemachtigde van werknemer aan te passen, maar zal enkel de tijdsbesteding aan het dossier matigen. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak zullen door de kantonrechter daarom worden begroot op 10 uren × € 240, dus op € 2.400 te vermeerderen met het door werknemer betaalde griffierecht van € 90. Omdat de aansprakelijkheid nog niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en G4S niet veroordelen tot betaling daarvan.