Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 11 mei 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3773
Feiten
Werknemer is op 21 juni 2023 bij Evergreen in dienst getreden in de functie van psycholoog. Werknemer heeft zich op 14 februari 2025 ziek gemeld. In verband met een door Evergreen toegepaste loonopschorting wegens het beweerdelijk niet naleven van de re-integratieverplichtingen door werknemer is werknemer in het najaar van 2025 een kortgedingprocedure begonnen tegen Evergreen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een schikking getroffen. Op grond daarvan heeft Evergreen een nabetaling gedaan aan werknemer. Op 9 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen waarbij Evergreen heeft aangegeven de arbeidsovereenkomst met werknemer niet te zullen verlengen. Bij brief van diezelfde datum heeft Evergreen aangegeven de aanzegvergoeding te zullen betalen. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is van rechtswege geëindigd op 31 december 2025. Bij brief van 12 februari 2026 heeft de gemachtigde van werknemer Evergreen aangeschreven en haar gesommeerd om een bedrag van € 9.792,73 uit te betalen in het kader van de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst, bestaande uit de aanzegvergoeding, de transitievergoeding, het vakantiegeld en openstaande LFB-uren. Op 6 maart 2026 heeft Evergreen een bedrag van € 1.560 aan werknemer overgemaakt onder de vermelding “november 2023”. Werknemer verzoekt uitbetaling van de aanzegvergoeding, pro rata-vakantiegeld, openstaande LFB-uren en de transitievergoeding. Evergreen verzoekt in haar tegenverzoek om veroordeling van werknemer tot vergoeding van door Evergreen geleden schade op grond van onrechtmatige daad. Evergreen legt, kort gezegd, aan haar tegenverzoek ten grondslag dat zij schade heeft geleden door kosten te maken voor onder meer haar gemachtigde doordat werknemer Evergreen tweemaal in een rechterlijke procedure heeft betrokken.
Oordeel
Ter zitting heeft de gemachtigde van werknemer laten weten dat hij bij de berekening van de vergoedingen inderdaad is uitgegaan van een te hoog salaris. In verband met betalingen heeft de gemachtigde van werknemer ter zitting zijn vorderingen ter zake van de transitie- en aanzegvergoeding ingetrokken. Derhalve resteert ter beoordeling het verzoek van werknemer om Evergreen te veroordelen tot betaling van achterstallig vakantiegeld en een bedrag ter zake van openstaande LFB-uren. Ter zake van het vakantiegeld waren partijen het er ter zitting over eens dat het gaat om een bedrag van € 1.497,18 netto. Dit bedrag is door Evergreen tot op heden onbetaald gebleven. Evergreen zal tot betaling daarvan worden veroordeeld. Voor wat betreft de gevorderde uitbetaling van niet genoten LFB-uren wordt als volgt overwogen. Het ligt op de weg van Evergreen om gemaakte afspraken over verrekening van niet gewerkte uren met verlofuren duidelijk vast te leggen en dan ook tijdig in het verlofsaldo zichtbaar te registreren. Van enige verlofregistratie is niet gebleken. Evenmin heeft Evergreen bewijs geleverd van de beweerdelijke afspraak dat werknemer in 2023 18 uur te weinig heeft gewerkt, dat voor zijn rekening en risico komt en/of dat is afgesproken dat deze niet gewerkte uren in mindering zouden worden gebracht op zijn saldo LFB-uren. Evergreen zal dan ook veroordeeld worden tot betaling van 44 niet genoten LFB-uren. Evergreen heeft bij haar verweerschrift een tegenverzoek ingediend inhoudende dat zij vraagt werknemer te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade op grond van onrechtmatige daad, alsmede om werknemer te veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Evergreen. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor vergoeding van enige schade wegens onrechtmatig handelen of een vergoeding ter zake van proceskosten ter begunstiging van Evergreen is in deze zaak geen plaats omdat het Evergreen is die grotendeels in het ongelijk wordt gesteld. Voorts heeft de gemachtigde van werknemer ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van Evergreen dat hij kosten heeft gemaakt voor inschakeling van een gemachtigde, omdat de naam van de (beweerdelijke) gemachtigde niet op het kantoor dat genoemd is, bekend is. Hoezeer er gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken aanwijzingen zijn dat dit laatste verweer dat een niet bestaande gemachtigde is opgevoerd juist is of kan zijn, zal de kantonrechter dat verder onbesproken laten omdat de vorderingen van Evergreen ter zake van schade wegens onrechtmatig handelen en/of proceskosten om andere redenen reeds worden afgewezen.
