Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/stichting
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 30 april 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3428
Door de overgang van onderneming is de arbeidsovereenkomst van werkneemster van rechtswege overgegaan op stichting B ondanks de eerdere (niet rechtsgeldige) opzegging door stichting A.

Feiten

Werkneemster is per november 2021 bij de stichting A in dienst getreden in de functie van persoonlijk begeleidster. Werkneemster is sinds 16 mei 2025 arbeidsongeschikt. Bij brief van 30 december 2025 heeft stichting A aan werkneemster bericht dat zij per 1 februari 2026 stopt met al haar bedrijfsactiviteiten en dat zij het contract per 31 januari 2026 schriftelijk opzegt. Per 2 februari 2026 is stichting B opgericht. Vanaf februari 2026 heeft werkneemster geen loon meer ontvangen. Wel ontvangt zij van het UWV sinds 2 februari 2026 een Ziektewetuitkering. Werkneemster is nadien een verzoekschriftprocedure tegen stichting A begonnen, waarbij zij heeft verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Werkneemster vordert in een procedure tegen stichting B om haar te veroordelen tot betaling van het loon, naleving van de re-integratieverplichtingen en na hersteldmelding toelating tot het verrichten van de bedongen arbeid. Werkneemster legt aan haar vorderingen ten grondslag dat stichting A haar organisatie heeft overgedragen aan stichting B en zodoende op grond van de artikelen 7:662 en 7:663 BW het dienstverband van werkneemster van rechtswege op stichting B is overgegaan.

Oordeel

Beoordeeld moet worden of stichting A tegenover werkneemster gehouden is om de verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst na te komen. Daarvoor dient te worden vastgesteld of en, zo ja, per wanneer er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. Werkneemster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij bij stichting B in dienst is als gevolg van een overgang van onderneming. Stichting B heeft op de mondelinge behandeling erkend dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft ook stichting A ter zitting bevestigd dat van een overgang van onderneming sprake is geweest. Stichting A heeft daarbij nog verduidelijkt dat zij de arbeidsovereenkomst van werkneemster niet (rechtsgeldig) heeft opgezegd en daarvan is de kantonrechter ook niet gebleken. Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat er sprake is geweest van overgang van onderneming, waarbij ook de arbeidsovereenkomst van werkneemster van rechtswege is overgegaan. Ten tijde van de overgang van onderneming was werkneemster namelijk nog in dienst van stichting A en voor de overgang van werkneemster van stichting A naar stichting B is daarnaast niet ter zake doende of stichting B (al dan niet terecht) van een verkeerde voorstelling van zaken is uitgegaan. Ten aanzien van de datum van overgang van onderneming heeft werkneemster aangevoerd dat voor haar niet duidelijk is per welke datum de overgang van onderneming exact heeft plaatsgevonden. Volgens zowel stichting B als stichting A is dit per 1 maart 2026 geweest. Van deze datum zal de kantonrechter in het hiernavolgende dan ook uitgaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is er zodoende sprake geweest van een overgang van onderneming per 1 maart 2026, als gevolg waarvan werkneemster van rechtswege bij stichting B in dienst is getreden. Stichting B is per die datum dan ook gehouden tot betaling van het loon met emolumenten (conform de Cao GGZ), naleving van de re-integratieverplichtingen en toelating van werkneemster, na hersteldverklaring, tot de bedongen arbeid.