Rechtspraak
Feiten
Werknemer was als staffunctionaris werkzaam bij Zuyderland Zorgcentra B.V. (hierna: Zuyderland) op een locatie waar geen zorg werd verleend. In maart 2020, aan het begin van de coronapandemie, gold vanuit de overheid en het RIVM het advies om thuis te blijven bij verkoudheidsklachten. Op 13 maart 2020 liet de leidinggevende van werknemer weten dat binnen Zuyderland nog niet werd thuisgewerkt uit solidariteit met het zorgpersoneel. Op 16 maart 2020 vond een overleg plaats waarbij een collega aanwezig was die kort daarvoor op wintersport in Oostenrijk was geweest. Werknemer stelde later dat deze collega verkoudheidsklachten had. Na het overleg mailde werknemer de collega dat zij volgens de RIVM-richtlijnen beter naar huis kon gaan. Later die dag werd de collega door de leidinggevende naar huis gestuurd. Enkele dagen later kreeg werknemer gezondheidsklachten passend bij corona. Hij meldde zich op 23 maart 2020 ziek. Omdat in die periode alleen beperkt werd getest, is werknemer destijds niet getest op corona. Een antistoffentest van juli 2020 wees wel uit dat werknemer een coronabesmetting had doorgemaakt. Werknemer hield langdurige klachten passend bij post-COVID en ontving uiteindelijk een WIA-uitkering. Werknemer stelde Zuyderland aansprakelijk voor de schade die hij stelde te hebben geleden doordat hij op het werk besmet zou zijn geraakt met corona door zijn collega. Hij baseerde zijn vordering primair op werkgeversaansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW en subsidiair op aansprakelijkheid voor een fout van een ondergeschikte ex artikel 6:170 BW. Partijen twisten over de vraag of werknemer aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het werk door zijn collega met corona is besmet.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Werkgeversaansprakelijkheid
De kantonrechter stelt voorop dat werknemer moet stellen en bij voldoende betwisting aannemelijk moet maken dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Werknemer beroept zich daarbij op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, die onder omstandigheden kan gelden bij blootstelling aan schadelijke stoffen of virussen. Voor toepassing van die regel moet echter voldoende aannemelijk zijn dat de ziekte door de werkomstandigheden kan zijn veroorzaakt. De kantonrechter oordeelt dat werknemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn collega op 16 maart 2020 daadwerkelijk besmet was met corona. Dat de collega hoestte, kort daarvoor in Oostenrijk was geweest en werknemer later corona bleek te hebben gehad, is daarvoor onvoldoende. Ook andere virussen kunnen vergelijkbare klachten veroorzaken. Daarnaast heeft de collega later een negatieve antistoffentest afgelegd. Hoewel werknemer heeft aangevoerd dat sprake kan zijn van een vals-negatieve test, kan daarmee nog steeds niet worden vastgesteld dat de collega op 16 maart 2020 corona had. Omdat werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het werk door zijn collega met corona is besmet, is er geen plaats voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. De vordering op grond van artikel 7:658 BW wordt daarom afgewezen.
Aansprakelijkheid voor fout van ondergeschikte
Ook de subsidiaire grondslag op basis van artikel 6:170 BW slaagt niet. Nu niet is komen vast te staan dat de collega besmet was met corona, kan niet worden geoordeeld dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door naar het werk te komen. Daarom kan Zuyderland evenmin aansprakelijk worden gehouden voor een fout van een ondergeschikte.
De vorderingen van werknemer worden afgewezen.
