Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 17 april 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:2327
Feiten
Werknemer is per 15 oktober 2021 in dienst getreden bij de Technische Universiteit Eindhoven (hierna: TU/e) als promovendus. Op 2 oktober 2025 is de arbeidsovereenkomst verlengd voor de duur van 2,5 maand met als nieuwe einddatum 31 december 2025. Werknemer heeft in november 2025 verzocht om de aanzegvergoeding, TU/e heeft dit afgewezen. Werknemer verzoekt de aanzegvergoeding. Volgens hem geldt de brief van de TU/e die hij op 12 september 2025 ontving om verschillende redenen niet als een aanzegging. Verder betoogt werknemer dat de brief van 2 oktober 2025 moet worden beschouwd als aanzegging en dat die aanzegging te laat is gedaan.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat TU/e heeft voldaan aan de wettelijke aanzegverplichting. De verzochte aanzegvergoeding wordt afgewezen. De aanzegging van 12 september 2025 moet worden onderscheiden van het op een later moment alsnog aanbieden van een verlenging van de arbeidsovereenkomst. De brief van 12 september 2025 vermeldt het einde en de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Er is niets dat TU/e verbiedt om na een schriftelijke aanzegging alsnog een voortzetting van de arbeidsovereenkomst aan werknemer voor te stellen. Het in vervulling gaan van de in de aanzeggingsbrief genoemde mogelijkheid/voorwaarde van verlenging van de arbeidsovereenkomst, tast echter niet de aanzegging zelf aan. Anders dan de gemachtigde van werknemer op de zitting deed voorkomen, is het opnemen van de mogelijkheid van verlenging (‘de voorwaarde’) in de aanzeggingsbrief geen manier om de beslissing over het al dan niet voortzetten te rekken en werknemer al die tijd in onzekerheid te laten. Niet alleen is al een beslissing genomen (met alle gevolgen van dien), maar ook gaat het om de relatief korte periode van één maand voorafgaand aan de einddatum van het dienstverband en is dit een periode waarin de TU/e kan proberen – en in het geval van werknemer: heeft geprobeerd – extra financiering te verkrijgen, zodat de werknemer nog enige tijd betaald door kan gaan met de (onderzoeks)werkzaamheden. De kantonrechter is van oordeel dat enige onduidelijkheid die is ontstaan na de brief – voor zover daarvan sprake is geweest – niet afdoet aan het tijdig informeren over het niet-voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
