Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 7 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1648
Feiten
Werkgever verzorgt gespecialiseerd onderwijs. Werkneemster is op 1 augustus 2024 in dienst getreden bij werkgever als onderwijsassistente B. Per 1 februari 2025 is werkneemster, nadat zij met goed gevolg een geschiktheidsonderzoek had doorlopen, benoemd tot onbevoegd lerares met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twee jaar in verband met een tweejarig opleidingstraject om haar bevoegdheid voor het primair basisonderwijs te behalen (hierna: het opleidingstraject). Werkgever vraagt in deze procedure om de arbeidsovereenkomst met werkneemster, die nog tot en met 31 januari 2027 duurt, te ontbinden.
Oordeel
Werkgever stelt dat werkneemster haar functie niet meer mag vervullen omdat zij in april 2025 is gestopt met het opleidingstraject. Volgens werkgever is de arbeidsovereenkomst daarom inhoudsloos geworden. Ter zitting heeft werkgever desgevraagd verklaard dat ook zonder de uitval van werkneemster het opleidingstraject zou zijn beëindigd. Hij heeft aangevoerd dat werkneemster met die beëindiging heeft ingestemd in het gesprek van 8 april 2025. Dat werkneemster daarmee heeft ingestemd (en daaraan gehouden kan worden) is de kantonrechter niet gebleken. Uit hetgeen ook namens werkgever op zitting daarover is verklaard, leidt de kantonrechter af dat werkneemster het over zich heen heeft laten komen en heeft meebewogen, maar niet dat zij heeft ingestemd met de conclusie dat zij ongeschikt zou zijn voor het speciaal onderwijs en haar opleiding moest beëindigen. Dat werkneemster ongeschikt was voor het speciaal onderwijs heeft werkgever naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Werkgever heeft van de periode na de start van het opleidingstraject slechts één incident van 11 maart 2025 benoemd waaruit die ongeschiktheid zou moeten blijken. Werkneemster zou toen een getraumatiseerd kind hebben gedwongen haar bij de begroeting een hand te geven, hetgeen werkneemster ontkent. Ook als de lezing van werkgever juist is, is dat nog onvoldoende om te concluderen dat een vruchtbaar opleidingstraject voor werkneemster niet mogelijk is. De uitval is ook onvoldoende om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter overweegt dat een hernieuwde start van het opleidingstraject zou betekenen dat de arbeidsovereenkomst eerder eindigt dan het opleidingstraject. Dat is in de eerste plaats een probleem voor werkneemster, maar maakt de arbeidsovereenkomst (bij het herstarten van het traject) niet inhoudsloos. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af, maar adviseert partijen een voor hen beiden bevredigender oplossing buiten de wettelijke kaders te zoeken.
