Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 maart 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:11438
Feiten
Werknemer is vanaf 1 april 2020 werkzaam als advocaat in dienst van werkgeefster. Werknemer heeft in december 2023 zijn dienstverband bij werkgeefster opgezegd en is per 1 maart 2024 in dienst getreden bij advocatenkantoor X. Ook de twee andere advocaten binnen werkgeefster zijn in dienst getreden bij X. Werkgeefster heeft zich daarop genoodzaakt gezien haar activiteiten te beëindigen; zij is thans in liquidatie. Werkgeefster vordert een verklaring voor recht dat werknemer jegens haar aansprakelijk is voor omzetschade die zij ten gevolge van handelen van werknemer heeft geleden. Werkgeefster stelt hiertoe in de kern dat werknemer tijdens zijn dienstverband bij werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld. Werknemer zou werkgeefster bewust financieel hebben beschadigd, ten gunste van zichzelf en bevriende (zaken)relaties. Zo zou werknemer diverse facturen van cliënten niet hebben geïnd en cliënten actief hebben geadviseerd de facturen niet te betalen, zou hij zonder toestemming of overleg actief kortingen hebben toegepast in zijn dossiers en zou hij tijdens zijn dienstverband concurrerende activiteiten hebben verricht en zich rechtstreeks hebben laten betalen door cliënten van werkgeefster in een andere hoedanigheid dan advocaat. De schade komt volgens werkgeefster uit op een bedrag van € 198.990,75.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Aansprakelijkheid werknemer
Werkgeefster heeft voldoende onderbouwd dat werknemer in ieder geval richting het einde van zijn dienstverband, in de periode vanaf december 2022, onrechtmatig heeft gehandeld. Op basis van overgelegde Whatsapp-berichten kan worden vastgesteld dat werknemer cliënten met wie hij een persoonlijke relatie had korting op werkzaamheden heeft gegeven, of heeft aangeboden kosteloos werk voor hen te verrichten. Ook kan worden vastgesteld dat hij in privé cliënten van werkgeefster heeft geadviseerd om facturen niet te betalen en hun daarvoor van argumenten heeft voorzien, of heeft meegeschreven aan conceptreacties die aan werkgeefster konden worden gestuurd om facturen te betwisten. De aansprakelijkheidsvraag wordt in dit geval beheerst door artikel 7:661 BW. Daaruit volgt dat de werknemer alleen aansprakelijk is voor schade indien die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval aan die hoge lat voldaan. Uit de Whatsapp-berichten die over zijn gelegd blijkt voldoende overtuigend dat werknemer zich ervan bewust was dat zijn handelen schade voor werkgeefster zou veroorzaken. Het is aannemelijk dat hij dat ook voor ogen heeft gehad of ten minste bewust voor lief heeft genomen. Zo heeft hij in februari 2023 aan een zakelijke relatie geschreven dat hij er steeds aan dacht ‘hoe hard hij het faillissement van [werkgeefster] wilde aanvragen’ en schreef hij op 1 maart 2023 naar aanleiding van een geschil over een factuur tussen de zakelijke relatie en werkgeefster: ‘Fucking verliezer. Ik kijk er morgen even naar. (…) Zal je helpen.’ De verklaring voor recht dat werknemer tegenover werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij aansprakelijk is voor de omzetschade die werkgeefster ten gevolge van dit handelen heeft geleden, wordt toegewezen.
Schadevergoeding
De omzetschade als gevolg van het onrechtmatig handelen van werknemer wordt als volgt vastgesteld. Werkgeefster heeft voldoende onderbouwd dat zij € 5.152,22 aan schade heeft geleden vanwege onbetaald gebleven facturen van cliënten. Ook is voldoende dat deze schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van werknemer. Dit gedeelte van de vordering is toewijsbaar; het overige deel van de vordering wordt afgewezen.
