Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2997
Feiten
Werknemer is op 23 november 2020 in dienst getreden van Tata Consultancy Services Netherlands B.V. (hierna: TCS) en was onderdeel van het Customer Experience Transformation team (CXT). TCS is een dochteronderneming van Tata Consultancy Services Limited (TCS ltd.). TCS ltd. heeft een wereldwijde herstructurering voor de TCS Groep aangekondigd met ingang van 1 augustus 2023. In de nieuwe organisatiestructuur is het CXT-team, waarbinnen werknemer werkte, weggevallen. TCS heeft werknemer hierover bij brief van 3 januari 2024 geïnformeerd. Werknemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarbij aangegeven dat hij van plan was om zich bij het TCS Interactive team (TI) aan te sluiten. Werknemer is vervolgens in het kader van samenwerking aan een project voor een specifieke klant tot medio 2024 in het TI-team geplaatst. Nadat deze klant de samenwerking met TCS beëindigde, kon werknemer niet definitief bij het TI-team geplaatst worden. Hierna is werknemer, afgezien van enkele losse werkzaamheden, niet meer op een project geplaatst. Bij e-mail van 2 april 2025 heeft werknemer TCS aansprakelijk gesteld voor schade die hij als gevolg van toerekenbaar tekortschieten door TCS in de nakoming van de arbeidsovereenkomst lijdt en nog zal lijden. In reactie hierop heeft TCS bij e-mail van 11 april 2025 de gestelde wanprestatie betwist. TCS heeft werknemer vanaf 28 april 2025 meerdere rollen bij TCS aangeboden. Werknemer heeft deze geweigerd omdat hij deze niet passend vindt. Werknemer vordert onder meer te verklaren voor recht dat TCS ten opzichte van werknemer toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:686 BW door hem op 29 augustus 2023 eenzijdig zijn werkzaamheden te ontnemen.
Oordeel
Voorop moet worden gesteld dat van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst van werknemer geen sprake is. Daarom biedt artikel 7:686 BW geen grondslag voor zijn vordering tot schadevergoeding. De onderhavige vordering van werknemer moet gekenmerkt worden als een zelfstandige vordering tot vergoeding van schade die (mogelijk) is ontstaan en nog zal ontstaan bij de voortzetting van de lopende arbeidsovereenkomst op grond van artikel 6:74 BW. Werknemer heeft echter nagelaten om aan te tonen dat TCS hem niet in staat stelt om deze taken en verantwoordelijkheden in een andere rol binnen TCS uit te oefenen. TCS wil de arbeidsovereenkomst immers laten voortduren en heeft werknemer ook meerdere andere rollen aangeboden. Bovendien geldt dat tussen partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen dat TCS gerechtigd is om binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid werknemer andere werkzaamheden te laten uitvoeren als haar bedrijfsvoering dit eist. Tegen die achtergrond kan niet geoordeeld worden dat TCS jegens werknemer handelt in strijd met goed werkgeverschap en haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet nakomt. Dat betekent dat de gevorderde verklaringen voor recht niet toewijsbaar zijn.
