Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 31 maart 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:1108
Te late betaling van het loon, verschuldigdheid en matiging van de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW.

Feiten

Werknemer is per 5 juli 2022 in dienst getreden bij werkgeefster. Werknemer is per 31 mei 2025 vrijgesteld van zijn werkzaamheden. Vervolgens is een discussie ontstaan over te late loonbetalingen. Partijen hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2025. Werknemer vordert een veroordeling van werkgeefster tot betaling van achterstallig loon en de wettelijke verhoging over dat loon. Werkgeefster erkent dat zij het loon over de hiervoor genoemde maanden niet (volledig) althans niet tijdig aan werknemer heeft voldaan. Gelet op de omstandigheden in deze zaak bestaat er naar de mening van werkgeefster aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil althans tot een lager percentage dan werknemer heeft gevorderd. In dat verband wijst zij op de slechte financiële situatie van de onderneming, waardoor zij niet in staat was om het loon tijdig te betalen. Hoewel het loon met vertraging is voldaan, kan hiervan aan werkgeefster geen verwijt worden gemaakt. Zij is vanaf het begin open en transparant geweest over haar financiële problemen. Ook heeft werkgeefster zich aantoonbaar ingespannen om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, door het doen van deelbetalingen aan werknemer zodra zij daartoe de mogelijkheid had. Ook heeft zij betalingsregelingen aan werknemer voorgesteld. Omdat er sprake was van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil, is het niet redelijk om de gevorderde wettelijke verhoging toe te wijzen, aldus werkgeefster.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat aan werknemer over de maand juni 2025 een nettoloon van € 2.256,24 toekwam en dat werkgeefster over deze maand niet het volledige loon aan werknemer heeft betaald, namelijk € 1.708,08 netto. Dat betekent dat aan werknemer per saldo nog een bedrag van € 548,46 netto toekomt. De daartoe strekkende vordering van werknemer is toewijsbaar. Het niet (tijdig) voldoen van het loon is naar het oordeel van de kantonrechter aan werkgeefster toe te rekenen. De door haar geschetste financiële problemen liggen in haar risicosfeer. Wel bestaat in het onderhavige geval grond voor matiging van de gevorderde wettelijke verhoging. Daartoe is redengevend dat werkgeefster voldoende onderbouwd heeft gesteld- wat niet door werknemer is betwist - dat de financiële positie van de onderneming in de betreffende periode dusdanig slecht was dat zij niet in staat was om het loon van werknemer tijdig te voldoen. Enerzijds behoren deze financiële omstandigheden tot haar ondernemersrisico, maar anderzijds is het te begrijpen dat werkgeefster in de gegeven omstandigheden niet tot tijdige betaling van het loon van werknemer is overgegaan. Uiteindelijk heeft zij behoudens het nog resterende loon over juni 2025 het achterstallige loon ook aan werknemer voldaan. Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te beperken tot 20%. De wettelijke rente wordt toegewezen. Werknemer heeft bevestigd dat hem bij het einde van het dienstverband te veel verlofuren zijn uitbetaald. Nu partijen het hierover eens zijn, zal de kantonrechter ervan uitgaan dat werkgeefster een vordering op werknemer heeft ter zake van te veel opgenomen verlofuren. Het door werknemer gevorderde bedrag aan vakantiebijslag wordt toegewezen. De daartoe strekkende vordering van werkgeefster in reconventie is dan ook toewijsbaar. De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster het voorschot mag verrekenen met het aan werknemer in mei 2025 toekomende vakantiegeld. Werknemer heeft dit immers zelf voorgesteld en dit is door werkgeefster akkoord bevonden. Vast staat dat een dergelijke verrekening tot op heden nog niet heeft plaatsgevonden. De gevorderde bonus is niet toewijsbaar, de uitbetaling van de bonus is naar het oordeel van de kantonrechter afhankelijk gesteld van het rond zijn van de financial close van het project te Assen. Werkgeefster wordt in de proceskosten in conventie veroordeeld. Werknemer wordt in de proceskosten in reconventie veroordeeld.