Naar boven ↑

Rechtspraak

Ondernemingsraad van GFK Netherlands B.V./GFK Netherlands B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 februari 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:575
Verzoeken ondernemingsraad met betrekking tot een voorgenomen organisatiewijziging binnen GFK - waarbij één nieuwe business wordt gevormd - afgewezen.

Feiten

GfK Netherlands B.V. (hierna: GFK) houdt zich in Nederland bezig met Consumer Intelligence and Market Research. Bij GfK werken in Nederland circa 112 mensen. In 2023 heeft het Amerikaanse NielsenIQ het Duitse GfK-concern overgenomen. Sindsdien vindt wereldwijd integratie van bedrijfsonderdelen plaats. Op 17 juli 2024 is de Europese ondernemingsraad – waarin ook de voorzitter van de Nederlandse ondernemingsraad zitting heeft – geïnformeerd dat het voornemen bestond om onder de naam Project Three-to-One (P321) de businessunits Analytics, Bases en CMI samen te voegen tot één team, dat gaat opereren onder de naam NielsenIQ Strategic Analytics & lnsights (SA&I). Op 18 en 19 november 2024 heeft de regionale SA&I-manager met leden van de ondernemingsraad gesproken over de aankomende veranderingen en de adviesaanvraag die werd voorbereid. Op 25 november 2024 heeft de ondernemingsraad een adviesaanvraag ontvangen met betrekking tot een voorgenomen organisatiewijziging waarbij van drie businessunits één nieuwe businessunit SA&I wordt gemaakt. Op 10 december 2024 heeft de ondernemingsraad GfK schriftelijk een aantal vragen gesteld over de reden voor en de achtergrond van de reorganisatie, het boventallig verklaren van functies en de gevolgen voor de betrokken medewerkers. Op 8 januari 2025 heeft GfK de vragen van de ondernemingsraad beantwoord. Op 7 februari 2025 heeft de ondernemingsraad negatief geadviseerd. Op 5 maart 2025 heeft GfK uitgebreid gereageerd op het negatieve advies. Partijen komen niet tot een vergelijk. De ondernemingsraad wendt zich tot de Ondernemingskamer omdat GfK bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit van 17 maart 2025 met betrekking tot de voorgenomen organisatiewijziging waarbij één nieuwe businessunit SA&I wordt gevormd en voert daarvoor acht gronden aan. GfK voert gemotiveerd verweer.

Oordeel

De ondernemingsraad voert aan dat in de adviesaanvraag ten onrechte wordt verwezen naar artikel 25 lid 1 sub k WOR. Deze klacht mist belang. Uit het gegeven advies blijkt zonder meer dat de ondernemingsraad heeft begrepen dat het voorgenomen besluit geen betrekking had op de invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening, maar dat het ging om een reorganisatie. De Ondernemingskamer oordeelt verder dat niet kan worden aangenomen dat de adviesaanvraag te laat is gedaan en de adviestermijn onredelijk kort is geweest. GfK heeft voldoende toegelicht dat het samenvoegen van de drie bestaande businessunits in één nieuwe businessunit, onderdeel was van de wereldwijde reorganisatie binnen NielsenIQ die al in de zomer van 2024 in de Europese ondernemingsraad was aangekondigd. De Ondernemingskamer volgt de ondernemingsraad evenmin in zijn standpunt dat hij geen wezenlijke invloed heeft kunnen uitoefenen op het voorgenomen besluit en het daarmee samenhangende verwijt dat GfK het besluit al uitvoerde voorafgaand aan de adviesaanvraag en gedurende het adviestraject. Weliswaar is juist dat de implementatie van onderdelen van de wereldwijde reorganisatie binnen NielsenIQ in de Benelux al waren begonnen en dat ook al werd voorgesorteerd op de nieuwe structuur in Nederland door het aanbieden van trainingen en het openstellen van bepaalde functies, maar dat neemt niet weg dat GfK de implementatie van het voorgenomen besluit in Nederland in afwachting van het advies heeft opgeschort. De Ondernemingskamer is met de ondernemingsraad van oordeel dat de adviesaanvraag van 26 november 2024 niet voldeed aan de daaraan op grond van artikel 25 lid 3 WOR te stellen eisen. GfK moet op grond van dat artikel bij het vragen van het advies een overzicht verstrekken van de beweegredenen van het voorgenomen besluit, van de personele gevolgen en van de in dat kader te treffen maatregelen. De adviesaanvraag was in dit geval zeer summier onderbouwd, en bevatte geen voldoende concrete, op de Nederlandse onderneming toegespitste toelichting op de beweegredenen voor het voorgenomen besluit. Anders dan de ondernemingsraad heeft aangevoerd heeft GfK vervolgens haar besluit om het negatieve advies niet te volgen wel degelijk voldoende gemotiveerd. Ook het beroep van de ondernemingsraad dat GfK ten onrechte het afspiegelingsbeginsel niet heeft toegepast slaagt niet omdat GfK heeft aangetoond dat het om unieke functies gaat. De stelling dat GfK het voorstel om een sociaal plan voor boventallig verklaarde werknemers op te stellen ongemotiveerd heeft verworpen en passende functieregels worden genegeerd faalt. GfK was niet gehouden een sociaal plan op te stellen en dat zij dat niet heeft gedaan maakt het besluit niet kennelijk onredelijk. De Ondernemingskamer is van oordeel dat GfK weliswaar tekort is geschoten in haar verantwoordelijkheid zorg te dragen voor een goed verloop van het medezeggenschapstraject, maar dat de door de ondernemingsraad aangevoerde feiten en omstandigheden uiteindelijk niet kunnen leiden tot het oordeel dat GfK bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De verzoeken worden afgewezen.