Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:2021
Feiten
Werknemer is sinds 1 maart 2005 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Prothya Biosolutions Netherlands B.V. (hierna: Prothya) en was sinds 1 februari 2016 werkzaam als teamleider productie. In oktober 2021 meldde een schoonmaakster klachten over een medewerker. Werknemer heeft naar aanleiding daarvan op eigen initiatief een gesprek gevoerd met de betrokkenen en nadien verzocht om overplaatsing van de schoonmaakster. In december 2021 heeft de schoonmaakster bij haar leidinggevende melding gemaakt van ongewenst gedrag. Kort daarna heeft werknemer verslagen van eerdere gesprekken gedeeld met leidinggevenden. Op 23 december 2021 heeft Prothya werknemer met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld, omdat het vermoeden bestond dat hij “op zeer incorrecte en ongepaste wijze heeft gehandeld” en zich niet aan de geldende gedragsregels had gehouden. Dit vond plaats in het kader van een onderzoek door een bedrijfsrecherchebureau. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat de betrokken medewerker zich schuldig had gemaakt aan grensoverschrijdend gedrag en dat werknemer de klacht niet direct had geëscaleerd en het probleem zelf had willen oplossen. Ook waren er aanwijzingen dat werknemer zich onprofessioneel had uitgelaten en mogelijk te nauw betrokken was bij de kwestie. Werknemer werd vervolgens overgeplaatst naar een andere functie. In een eerdere kortgedingprocedure werd zijn vordering tot wedertewerkstelling afgewezen, maar in hoger beroep werd deze alsnog toegewezen en moest hij worden teruggeplaatst in zijn eigen functie. Nadien heeft werknemer een verklaring overgelegd van de schoonmaakster waarin zij stelde dat zij haar eerdere verklaringen onder druk had aangedikt.
Werknemer vordert onder meer dat Prothya hem schriftelijk rehabiliteert binnen de organisatie, dat voor recht wordt verklaard dat Prothya aansprakelijk is en dat zij schadevergoeding betaalt. Aan deze vorderingen legt hij ten grondslag dat de op non-actiefstelling diepe sporen heeft achtergelaten en dat deze onterecht was, zodat Prothya in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap. Volgens werknemer berustte de maatregel in belangrijke mate op onjuiste verklaringen van de schoonmaakster, die onder druk van een leidinggevende zouden zijn afgelegd. Prothya heeft gemotiveerd verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat zij destijds voldoende zwaarwegende redenen had om werknemer op non-actief te stellen, met name vanwege het lopende onderzoek en de vrees dat werknemer dit onderzoek zou kunnen beïnvloeden.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat de rechtmatigheid van een op non-actiefstelling moet worden beoordeeld aan de hand van de eisen van goed werkgeverschap en dat daarvoor een voldoende zwaarwegende grond vereist is. Daarbij is beslissend of de werkgever op het moment van de maatregel over voldoende aanleiding beschikte. Ten aanzien van de stelling dat de schoonmaakster onder druk onjuiste verklaringen heeft afgelegd, oordeelt de kantonrechter dat werknemer dit onvoldoende heeft onderbouwd. De latere verklaring van de schoonmaakster is volgens de kantonrechter niet toereikend, mede omdat deze vragen oproept over de totstandkoming en de wijze waarop werknemer deze heeft verkregen. Verder oordeelt de kantonrechter dat Prothya ten tijde van de beslissing in redelijkheid voldoende aanleiding had om werknemer op non-actief te stellen. Daarbij is van belang dat tijdens het onderzoek vragen rezen over de rol van werknemer bij de afhandeling van de melding, dat er signalen waren dat hij mogelijk op de hoogte was van het onderzoek en dat er aanwijzingen bestonden voor een nauwe band met de betrokken medewerker. Tegen deze achtergrond mocht Prothya vrezen voor inmenging van werknemer in het onderzoek. Dat later een gewijzigde verklaring van de schoonmaakster is overgelegd, maakt dit oordeel niet anders, omdat deze pas geruime tijd na de op non-actiefstelling beschikbaar kwam. De kantonrechter concludeert daarom dat Prothya een zwaarwegend belang had bij de op non-actiefstelling en niet in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap. De vorderingen van werknemer, waaronder de gevorderde rehabilitatie en schadevergoeding, worden afgewezen. Werknemer wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
