Naar boven ↑

Rechtspraak

Ignite Topco B.V./Ignite
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 12 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:5135
Ignite Topco B.V. is er niet in geslaagd haar stelling te bewijzen dat de contractuele ontslagvergoeding van drie maandsalarissen alleen verschuldigd was wanneer sprake was van statutair bestuurderschap. Er wordt een billijke vergoeding ter hoogte van het inkomstenverlies over 1,5 jaar toegekend.

Feiten

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 augustus 2025 ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof heeft de ontbinding in een tussenbeschikking terecht bevonden en geoordeeld dat werknemer in beginsel recht heeft op een billijke vergoeding omdat de verstoring van de arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Ignite. Het hof heeft Ignite Topco B.V. (hierna: Ignite) een bewijsopdracht gegeven ten aanzien van de contractuele ontslagvergoeding.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Volgens Ignifte was de aanvullende vergoeding gekoppeld aan het statutair bestuurderschap. Het hof acht het onvoldoende aannemelijk dat de aanspraak op de contractuele ontslagvergoeding beperkt is tot de situatie dat werknemer statutair bestuurder is. De bepaling is van meet af aan ook opgenomen in de conceptarbeidsovereenkomsten zoals die namens werknemer ter bespreking zijn voorgelegd, terwijl werknemer toen nog geen statutair bestuurder was. Uit de tekst noch uit enig ander overgelegd stuk kon werknemer opmaken dat hij bij ontslag de keuze had tussen zich erbij neerleggen en aanspraak maken op een contractuele ontslagvergoeding, ofwel een beroep doen op ontslagbescherming en geen aanspraak hebben op de vergoeding. Evenmin is gebleken dat werknemer duidelijk is gemaakt dat de contractuele ontslagvergoeding niet van toepassing zou zijn in de situatie waarin hij niet of niet langer statutair bestuurder is. Als Ignite artikel 4.4 in de door haar bepleite zin had willen beperken, had zij dat expliciet met werknemer moeten overeenkomen, althans werknemer expliciet moeten voorhouden. Het is het hof niet gebleken dat dat (voldoende) is gebeurd. Zoals het hof in de tussenbeschikking reeds heeft geoordeeld, is de stelling dat een contractuele ontslagvergoeding naast de wettelijke transitievergoeding in een reguliere arbeidsovereenkomst ongebruikelijk is, onvoldoende om anders te oordelen. Ignite heeft bij akte na tussenbeschikking nog aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat werknemer aanspraak maakt op deze vergoeding. In deze niet nader onderbouwde stelling, die bovendien tardief is aangevoerd, vindt het hof ook geen grond om de bepaling buiten beschouwing te laten en werknemer de contractuele ontslagvergoeding te ontzeggen. Vast is komen te staan dat Ignite een contractuele ontslagvergoeding van drie maanden verschuldigd is. Rekening houdend met de verwachte duur van het dienstverband, het arbeidsmarktperspectief en de leeftijd van werknemer en de inkomensschade van werknemer, alsmede het ernstig verwijtbaar handelen zijdens Ignite, wordt een billijke vergoeding van € 72.390 toegekend, op basis van de inkomensschade over 1,5 jaar. De eventuele schade die werknemer lijdt omdat hij door ontbinding van de arbeidsovereenkomst gedwongen zal worden om zijn aandelen te verkopen, betrekt het hof uitdrukkelijk niet bij de bepaling van de billijke vergoeding. In dit geval zijn nog te veel factoren onzeker die van invloed kunnen zijn op de vaststelling en de begroting of schatting van de door werknemer gestelde schade. Ignite wordt in de proceskosten veroordeeld.