Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 12 februari 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:1410
Feiten
Op 21 oktober 2025 hebben partijen een arbeidsovereenkomst getekend voor de duur van zeven maanden met als ingangsdatum 1 november 2025 en een proeftijd van één maand. Vlak na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft werkneemster aan werkgeefster gevraagd of zij op 14 november 2025 een voorschot van € 1.000 op haar loonbetaling zou kunnen ontvangen. Op 22 oktober 2025 heeft werkgeefster telefonisch medegedeeld dat het voorschot niet werd verleend en dat zij een beroep deed op de proeftijd waardoor de arbeidsovereenkomst eindigde. Werkgeefster heeft dit in haar brief van 27 oktober 2025 bevestigd. Werkneemster verzoekt primair vernietiging van de opzegging en subsidiair een billijke vergoeding van zeven brutomaandsalarissen. Zij is van oordeel dat de opzegging niet rechtsgeldig is omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was begonnen en werkgeefster daardoor nog geen beroep kon doen op de proeftijd.
Oordeel
Er is sprake van een proeftijdbeding dat voldoet aan de wettelijke vereisten. Tijdens de proeftijd mogen beide partijen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen “zolang die tijd niet is verstreken”. Deze woorden zijn destijds door de wetgever uitdrukkelijk in de tekst opgenomen om aan te geven dat de opzeggingsbevoegdheid ook geldt ten aanzien van een nog niet daadwerkelijk aangevangen arbeidsovereenkomst. Het uitgangspunt is dan ook dat een tijdig gegeven proeftijdontslag rechtsgeldig is. Een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag kan in strijd zijn met de beginselen van goed werkgeverschap. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij enkel is ingegaan op het aanbod van werkgeefster om een voorschot te vragen op de salarisbetaling. Door haar te ontslaan wanneer zij gebruikmaakt van het aanbod, heeft werkgeefster in strijd gehandeld met de verplichting van goed werkgeverschap. Werkgeefster heeft gemotiveerd betwist dat zij een aanbod heeft gedaan om een voorschot op het salaris te vragen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkneemster onvoldoende onderbouwd dat haar een aanbod is gedaan. De opzegging is rechtsgeldig en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen.
