Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 februari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:592
Feiten
Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement (hierna: Rijkswaterstaat VWM) is een van de organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat. Binnen dat onderdeel zijn ruim 2000 werknemers werkzaam. Binnen de kaders van de toepasselijke cao Rijk zijn decentrale afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het Personeelsreglement Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: Personeelsreglement). Uit het Personeelsreglement blijkt dat de Leidraad Roosterdiensten (hierna: Leidraad) van toepassing is voor werknemers binnen Rijkswaterstaat VWM die in roosterdienst werkzaam zijn. In de Leidraad worden twee vormen van roosteren genoemd: normroosteren en meeroosteren. Binnen het team Wegverkeersleiders van plaats X (hierna: het Team) wordt sinds jaar en dag geroosterd volgens het normroosteren, waarbij de behoefte qua dienstverlening bij de verschillende opdrachtgevers leidend is. Pas bij het opstellen van de maandroosters wordt rekening gehouden met de wensen van de individuele werknemers. Bij het meeroosteren komt het maandelijkse rooster in overleg met de werknemers tot stand. Rijkswaterstaat VWM heeft haar OR in juni 2025 om instemming gevraagd om over te kunnen stappen op het meeroosteren voor het Team. De OR heeft die instemming in augustus 2025 geweigerd. Rijkswaterstaat VWM vraagt de kantonrechter in deze procedure om vervangende toestemming als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Naast de Leidraad hebben Rijkswaterstaat VWM en de OR aanvullende afspraken gemaakt over de vereisten om een team over te kunnen laten stappen naar meeroosteren, namelijk: (1) voordat een team kan starten met meeroosteren moet de gevraagde dienstverlening aantoonbaar in evenwicht zijn met de beschikbare capaciteit en (2) ten minste 66% van het team moet willen overstappen naar meeroosteren. Het belang van de OR bij weigering van instemming tot meeroosteren is gelegen in zijn zorgen over de capaciteit binnen het Team. De OR wijst erop dat als wordt gekeken naar de maandelijkse capaciteit, de maanden januari tot en met maart 2026 een (forse) ondercapaciteit laten zien binnen het Team. Rijkswaterstaat VWM heeft daartegen ingebracht dat juist in de maanden januari-maart vrij weinig verlofaanvragen worden gedaan, zodat de onderbezetting eenvoudiger is op te vangen. Dat heeft de OR niet weersproken. De OR heeft verder aangevoerd dat als in de toekomst sprake is van onderbezetting dit bij meeroosteren zorgt voor een grotere druk op de werknemers om extra diensten te werken, dan bij normroosteren het geval is. Rijkswaterstaat VWM heeft uitgelegd dat zij geen grotere problemen ziet bij onderbezetting bij meeroosteren dan bij normroosteren, omdat zij bij beide systemen gebonden is aan de Arbeidstijdenwet (ATW) en de systemen zelf ook maar een beperkte hoeveelheid overuren toestaan. Daarnaast gebeurt het inplannen van overwerk op basis van vrijwilligheid en is inhuur van externen mogelijk. De OR heeft dit niet betwist. Rijkswaterstaat VWM heeft als grootste belang voor invoering van meeroosteren naar voren gebracht dat het zowel haar wens als de wens van 88% van het Team is om over te gaan op meeroosteren. Voor de werknemers brengt deze manier van roosteren meer flexibiliteit en daarmee een betere werk-privébalans met zich mee, omdat zij bij het meeroosteren meer invloed hebben op hun eigen roosters. De kantonrechter komt tot de slotsom dat het belang van Rijkswaterstaat VWM dat het meeroosteren wordt ingevoerd, gelet op de wens van de overgrote meerderheid van het Team, zwaarder weegt dan de bedenkingen van de OR over de capaciteit die niet iedere maand voldoet. De beslissing van de OR om niet in te stemmen met de overgang naar het meeroosteren binnen het Team is dan ook onredelijk geweest. De kantonrechter verleent vervangende toestemming.
