Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 januari 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:326
Onterechte loonstop tijdens ziekte. Werkgever moet achterstallig loon, vakantietoeslag en (gedeeltelijke) vergoeding voor niet genoten vakantie-uren betalen.

Feiten

Werknemer was tot 1 september 2024 in dienst bij werkgever in de functie van kok tegen een brutomaandsalaris van € 2.471,24 exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst was een cao van toepassing, waarin was bepaald dat tijdens het eerste ziektejaar 95% van het loon wordt doorbetaald en in het tweede ziektejaar 75%. Vanaf 22 april 2023 heeft werknemer wegens ziekte geen werkzaamheden meer verricht. Werkgever heeft over de maanden mei tot en met augustus 2024 geen loon betaald. Ook heeft werkgever na het einde van de arbeidsovereenkomst geen eindafrekening opgesteld en geen vergoeding betaald voor opgebouwde maar niet-genoten vakantie-uren. Werkgever heeft het loon per 1 mei 2024 stopgezet, omdat werknemer volgens hem weigerde passende werkzaamheden in het kader van re-integratie te verrichten en had aangestuurd op beëindiging van het dienstverband met een vaststellingsovereenkomst. Werknemer betwist dat er sprake was van het weigeren van passend werk en vordert betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, vakantietoeslag, een vergoeding voor niet-genoten vakantie-uren, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De loonstop is niet rechtsgeldig. De door werkgever aangeboden werkzaamheden waren, gelet op het arbeidsdeskundig rapport, niet passend. Van een weigering om passende arbeid te verrichten is daarom geen sprake. Daarnaast heeft werkgever niet onverwijld gereageerd met een loonstop, hetgeen wel is vereist. Werkgever is daarom gehouden het loon over mei tot en met augustus 2024 alsnog te betalen. Omdat deze periode in het tweede ziektejaar valt, heeft werknemer recht op 75% van het loon. De gevorderde € 7.413,72 bruto wordt toegewezen. De wettelijke verhoging wegens te late loonbetaling wordt gematigd tot 25% van het achterstallige loon, omdat niet is gebleken van opzettelijk onterecht handelen door werkgever. Daarnaast is werkgever 8% vakantietoeslag verschuldigd over het achterstallige loon. Werkgever had bij het einde van het dienstverband een eindafrekening moeten opmaken en opgebouwde, niet genoten vakantie-uren moeten uitbetalen. Wel wordt de vordering gedeeltelijk afgewezen. Tijdens de ziekte heeft werknemer nog een week (38 uur) vakantie opgenomen en een deel van de wettelijke vakantie-uren uit 2023 is per 1 juli 2024 vervallen. Na correctie resteert een aanspraak op 72 vakantie-uren, wat leidt tot een vergoeding van € 1.026,72 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag.