Naar boven ↑

Rechtspraak

De Verenigde Staten van Amerika/ werknemer
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 29 januari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:1779
Aannemelijk is dat werknemer heeft gehandeld in strijd met het geheimhoudingsbeding door informatie, waaronder Whats-appberichten tussen werknemer, zijn DEA-collega’s en informanten, te verstrekken aan de NRC.

Feiten

Werknemer is in augustus 2003 in dienst getreden bij het Amerikaanse consulaat-generaal in Turkije. Per 26 november 2017 is werknemer in dienst getreden bij de ambassade van de Verenigde Staten in Den Haag, waar hij als security investigator is aangesteld. In het Employee Handbook staat een geheimhoudingsbeding. Op 26 januari 2022 heeft werknemer per e-mail contact gezocht met de toenmalige Chargé d’Affaires. In de e-mail verzoekt werknemer om een gesprek en geeft hij aan dat de Drug Enforcement Administration (DEA) haar personeel niet correct behandelt en fouten maakt bij de uitvoering van haar activiteiten in Nederland. Op 25 november 2022 heeft werknemer de Office of Civil Rights van het Department of State van de Verenigde Staten verzocht om een discriminatieonderzoek te starten en om als mediator in het geschil op te treden. In december 2022 heeft de Verenigde Staten aangegeven dat de functie van werknemer zal komen te vervallen vanwege een reorganisatie bij de DEA. Tussen partijen is gecorrespondeerd over een vaststellingsovereenkomst, hetgeen niet tot overeenstemming heeft geleid. De Verenigde Staten heeft het dienstverband per 1 oktober 2024 beëindigd. In de beëindigingsbrief is expliciet op het geheimhoudingsbeding uit het Employee Handbook gewezen. Werknemer heeft vervolgens contact gezocht met de U.S. Office of Special Counsel. De U.S. Office of Special Counsel heeft werknemer medegedeeld dat zij geen jurisdictie heeft en de zaak daarom niet zal oppakken. Op 29 november 2024 heeft werknemer bij de kantonrechter verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en voor recht te verklaren dat er sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. Op 16 december 2024 heeft werknemer de ambassadeur van de ambassade van de Verenigde Staten per e-mail bericht dat sprake is van systematisch racisme bij de ambassade en dat hij is blootgesteld aan illegale en onveilige werkomstandigheden. Werknemer heeft zich tot het Huis voor Klokkenluiders gewend, maar dat heeft werknemer enkele maanden later medegedeeld dat het geen onderzoek zal instellen. Op 6 juni 2025 heeft werknemer een e-mail naar diverse Amerikaanse functionarissen verstuurd, waarin hij de DEA verwijt onrechtmatig te handelen. Hij heeft aangegeven dat indien de Verenigde Staten niet tijdig op zijn bericht reagert, hij maatregelen zal treffen zoals bekendmaking van informatie aan diverse derden. Op 13 november 2025 is een artikel met de titel “Hoe de Amerikaanse drugsbestrijders een Nederlandse crimineel betaalden voor een gouden tip” in NRC verschenen. Op 25 november 2025 is een tweede artikel in NRC verschenen met de titel “Ex-medewerker: Amerikaanse drugsbestrijders DEA ‘opzettelijk’ illegaal actief in Nederland”. De Verenigde Staten vordert dat aan werknemer een verbod wordt opgelegd om informatie te verspreiden over de DEA, althans om informatie te verspreiden die werknemer via of in verband met zijn dienstverband bij de Verenigde Staten, althans de ambassade heeft verkregen.

Oordeel

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het voldoende aannemelijk is dat het geheimhoudingsbeding (ook) een postcontractuele verbintenis betreft. Een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding brengt in de eerste plaats met zich dat werknemer niet direct of indirect (persoons)gegevens van DEA-medewerkers en informanten openbaar mag maken. Het geheimhoudingsbeding bepaalt immers expliciet dat werknemer geen ‘personally identifiable information (PII)’ mag delen met personen die deze informatie niet nodig hebben voor hun werk voor de Verenigde Staten. Een redelijke uitleg van het geheimhoudingsbeding brengt verder met zich dat werknemer geen informatie over nog lopende onderzoeken van de DEA en de daarbij gebezigde methodieken openbaar mag maken. Het voorgaande betekent niet dat het werknemer niet vrij zou staan aan derden mededelingen te doen over de aard van zijn werkzaamheden en misstanden die hij meent te hebben waargenomen. Uit het geheimhoudingsbeding volgt dit niet althans niet voldoende duidelijk. In dit kort geding is aannemelijk dat werknemer heeft gehandeld in strijd met het geheimhoudingsbeding. Werknemer heeft in zijn e-mail van 6 juni 2025 aan diverse Amerikaanse functionarissen geklaagd over de vermeende misstanden bij de DEA. Daarbij heeft werknemer gedreigd met vervolgstappen, waaronder het opzoeken van de publiciteit. Vervolgens verscheen er een artikel, waaruit een duidelijk relatie blijkt tussen het NRC-artikel en de WhatsApp-gesprekken tussen werknemer en zijn DEA-collega’s en informanten. Een informant wordt ook met zijn naam in het NRC-artikel vermeld. De vordering wordt toegewezen in die zin dat, omdat de exacte reikwijdte van het geheimhoudingsbeding niet eenvoudig valt vast te stellen, de voorziening uitsluitend een verbod inhoudt om informatie over personen met derden te delen. Nu geen aanwijzingen zijn aangedragen dat werknemer over meer informatie beschikt dan reeds is vermeld en verstrekt in de gerechtelijke procedure(s), heeft de Verenigde Staten geen belang (meer) bij de vordering om onderbouwd aan te geven over welke vertrouwelijke en persgevoelige informatie werknemer beschikt. Daar komt bij dat de Verenigde Staten niet heeft onderbouwd op welke grondslag deze vordering berust en die grondslag ook niet zonder meer is te vinden in het geheimhoudingsbeding.