Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Gemeente Heerenveen
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 4 februari 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:286
Schorsing van ambtenaar na melding ongewenst gedrag ten opzichte van collega’s in kort geding opgeheven.

Feiten

Werknemer is werkzaam bij de gemeente Heerenveen in de functie van specialist inkomen, waarbij hij als tijdelijk waarnemend locatiehoofd gemeente opvang Oekraïne (hierna: de opvang) heeft gefungeerd. Vanuit deze rol had hij rechtstreeks contact met de bewoners van de opvang, ook via WhatsApp. Vanaf 1 maart 2025 is werknemer op de afdeling waar hij voorheen werkte teruggekeerd. Tijdens een gesprek medio september 2025 is werknemer geschorst en moest hij zijn laptop, telefoon en toegangsdruppel voor onderzoek inleveren. De schorsing is schriftelijk bevestigd met als reden  een vermoeden van ongewenst gedrag op de werkvloer/een melding van ongewenst gedrag op de werkvloer dat naar het oordeel van de gemeente onderzocht moet worden. Deze schorsing is uitdrukkelijk niet bedoeld als disciplinaire maatregel, maar als ordemaatregel. Het bureau BING krijgt opdracht onderzoek te doen naar aanleiding van twee ingediende meldingen over vermeend ongewenst gedag door werknemer. De vermeende ongewenste gedragingen zouden betrekking hebben op het sturen van berichten met een dubbele lading, het van top tot teen observeren, knipogen en het leggen van een hand op de schouder. Daarnaast hebben beide melders aangeven dat werknemer jegens hen ongepaste opmerkingen zou hebben gemaakt gerelateerd aan (Oekraïense) vrouwen. BING legt de bevindingen van het onderzoek vast in een onderzoeksrapport. Werknemer wordt uitgenodigd voor een bespreking van dit rapport. Werknemer vordert in kort geding dat de gemeente het schorsingsbesluit intrekt en hem weer tot zijn werk te worden toegelaten.

Oordeel

Belangenafweging

Schorsing van een werknemer is alleen gerechtvaardigd als de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft die, ten opzichte van het belang van de werknemer, voldoende zwaar weegt. Aan de ene kant is er het belang van werknemer om te worden toegelaten tot het werk. Volgens vaste rechtspraak betreft dat in beginsel een zwaarwegend belang. De schorsing van werknemer kan in een bodemprocedure standhouden als de gemeente een voldoende zwaarwegend belang heeft. Daarbij kan worden gedacht aan het feit dat de gemeente, ter bescherming van andere werknemers, adequaat moet reageren op signalen dat er sprake is van een (sociaal) onveilige werkomgeving. Uiteindelijk hangt het af van de concrete omstandigheden van het geval of bepaald handelen een redelijke grond voor schorsing oplevert.

De meldingen rechtvaardigen geen schorsing

Of werknemer zich schuldig maakte aan het hem verweten gedrag kwam echter niet vast te staan, zoals blijkt uit het onderzoeksrapport. Dat dit de waarschijnlijkste uitkomst van het onderzoek was, had de gemeente al bij aanvang van het onderzoek kunnen weten. Melder II wilde immers niet herleidbaar zijn voor werknemer. Terecht merkt BING al in het interviewverslag op dat het deel van de melding dat zij niet aan werknemer kan voorhouden ook niet kan worden meegenomen in de conclusies. Alleen al dit gegeven had de gemeente ertoe moeten brengen om terughoudend te zijn met het opleggen van een volledige schorsing.

De uitkomsten van het onderzoek rechtvaardigen ook geen (voortzetting van de) schorsing

Volgens de gemeente moet de schorsing worden voortgezet omdat de uitkomsten van het onderzoek rechtvaardigen dat werknemer niet terugkeert op de werkvloer zolang het bevoegd gezag geen besluit heeft genomen over het vervolg, aldus de gemeente. De kantonrechter volgt dat betoog niet omdat de gemeente niet aangeeft welke bevindingen uit het onderzoeksrapport het noodzakelijk maken dat werknemer geschorst blijft en de gemeente niet uiteenzet waarom schorsing noodzakelijk is voor het bevoegd gezag om een besluit te kunnen nemen. De gemeente moet de schorsing opheffen en werknemer weer toelaten tot zijn werk zodra hij weer beter is. Ook moet de gemeente een rectificatie plaatsen.