Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Damen Holding B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 27 januari 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:38
Hof volgt werknemer niet in zijn stelling dat hij een arbeidsovereenkomst had met een Nederlandse onderneming. Werknemer heeft op eigen verzoek een arbeidsovereenkomst gesloten met een lokale dochteronderneming in de Verenigde Arabische Emiraten. Verder is niet aangetoond dat werknemer beloning van de Nederlandse onderneming ontving.

Feiten

In deze procedure stelt werknemer vanaf 10 juli 2023 een arbeidsovereenkomst te hebben met Damen Holding B.V. Damen Holding is echter van mening dat werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met een andere entiteit van de Damen Shipyards Group, een Nederlands scheepsbouwconcern met werkmaatschappijen in binnen- en buitenland. Damen Shipyards Group heeft zijn hoofdkantoor in Gorinchem. Op 29 juni 2023 heeft Damen Holding aan werknemer een aanbod gedaan voor een arbeidsovereenkomst voor de functie van director of refinancing op de afdeling CFO office, waarbij werknemer tewerkgesteld zou worden in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE). Op 27 juli 2023 is er een tijdelijke arbeidsovereenkomst tot stand gekomen tussen werknemer en Damen Workforce International (CY) Ltd, een vennootschap naar Cypriotisch recht (hierna: DWI). Daarna is tussen werknemer en Albwardy Marine Engineering LLC (een vennootschap behorend tot de Damen groep, hierna ook: Albwardy) een tijdelijke arbeidsovereenkomst gesloten. Op 20 december 2023 heeft Damen Holding per e-mail bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met werknemer is opgezegd. In eerste aanleg heeft werknemer de kantonrechter verzocht de opzegging door Damen Holding te vernietigen, voor recht te verklaren dat er tussen werknemer en Damen Holding een arbeidsovereenkomst bestaat die onverminderd voortduurt en Damen Holding te veroordelen om vanaf januari 2024 het achterstallig salaris van € 30.000 per maand te voldoen. De kantonrechter heeft de verzoeken van werknemer afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat Damen Holding weliswaar een arbeidsovereenkomst aan werknemer heeft aangeboden, maar dat Damen Holding ondubbelzinnig heeft verklaard een lokaal contract met de Damen-entiteit in de VAE te willen sluiten. Naar het oordeel van de kantonrechter is Damen Holding evenmin de ‘materiële’ werkgever (zie AR 2024-1011). Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. Werknemer voert in zijn beroepschrift onder meer aan dat het duidelijk is dat slechts Damen Holding de contractuele wederpartij is, omdat noch DWI, noch Albwardy iets ten opzichte van werknemer heeft verklaard waaruit volgt dat werknemer met deze entiteiten een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Werknemer noemt de arbeidsovereenkomsten met DWI en Albwardy in zijn beroepschrift een ‘schijnconstructie’. Het hof overweegt dat deze stelling niet opgaat. Damen Holding heeft toegelicht dat werknemer een arbeidsovereenkomst met Damen Holding van de hand heeft gewezen en Damen Holding heeft verzocht om enkel een lokaal contract, omdat dat financieel gunstiger voor hem zou zijn. Omdat het enige voeten in aarde had voordat werknemer daadwerkelijk in de VAE voor Albwardy aan de slag kon, is ervoor gekozen om eerst een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en DWI – de vennootschap die binnen de Damen groep fungeert als ‘uitzendbureau’ – tot stand te brengen. Deze stellingen vinden steun in de stukken. Werknemer beroept zich verder op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW. Hiervoor is onder andere vereist dat werknemer beloning voor zijn werk ontving van Damen Holding. Hij verwijst daarvoor naar Whatsapp-gesprekken waar partijen hebben gesproken over de betaling van het salaris van werknemer. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze gesprekken echter dat partijen erop uit waren om niet de schijn te wekken dat er een arbeidsovereenkomst tussen Damen Holding en werknemer zou bestaan. Het lijkt er veeleer op dat de HR-directeur in deze gesprekken op enigszins informele wijze namens de Damen-groep sprak. Werknemer heeft tijdens de mondelinge behandeling nog naar voren gebracht dat DWI moet worden beschouwd als een ‘bank’ van Damen Holding, en niet als een ‘uitzendbureau’ van de Damen-groep zoals Damen Holding stelt, maar die stelling vindt volgens het hof geen steun in de stukken. Werknemer heeft er verder nog op gewezen dat Damen Holding rechtstreeks betalingen aan hem heeft gedaan. Het gaat om allerlei soorten onkosten. Damen Holding heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat ook hier geldt dat hiervoor is gekozen om praktische redenen. Hoe dan ook, het enkele feit dat Damen Holding onkosten voor werknemer heeft betaald, is onvoldoende om een rechtsvermoeden aan te nemen dat Damen Holding (naast Albwardy) de werkgever van werknemer is. Dit alles leidt tot de conclusie dat het hof niet kan aannemen dat er op grond van artikel 7:610a BW een vermoeden bestaat van een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Damen Holding. Tot slot kan ook niet uit andere e-mails en de ontslagbrief worden opgemaakt dat er een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Damen Holding bestaat. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kantonrechter.