Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 14 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:190
Werknemer vordert terugbetaling van onverschuldigd betaalde opleidingskosten, omdat het studiekostenbeding nietig is en werkgeefster de opleiding kosteloos had moeten aanbieden.

Feiten

Werknemer is op 3 oktober 2022 voor de duur van een jaar in dienst gekomen bij werkgeefster. Werknemer en werkgeefster hebben een studieovereenkomst gesloten voor een beroepsopleiding. De opleidingskosten bedragen € 4.500. In de overeenkomst is een afbouwregeling voor terugbetaling opgenomen. Werknemer heeft de beroepsopleiding in maart 2023 succesvol afgerond. Werknemer heeft zijn dienstverband met werkgeefster per 1 augustus 2023 opgezegd. Onder protest heeft hij € 3.375 aan werkgeefster betaald. Werknemer vordert terugbetaling van dit bedrag en daarnaast de kosten van juridische bijstand. Werknemer stelt dat de terugbetalingsverplichting uit de studieovereenkomst nietig is. Werkgeefster voert aan dat de beroepsopleiding niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7:611a lid 2 BW.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat de beroepsopleiding noodzakelijk was voor de werkzaamheden. Werkgeefster heeft toegelicht dat de opleiding verplicht is en dat zonder opleiding het werk niet kan worden uitgevoerd. De opleiding staat in de vacature en wordt tijdens sollicitatiegesprekken besproken; als een sollicitant niet bereid is de opleiding te volgen, wordt de sollicitatieprocedure niet voortgezet. Bij niet succesvol afronden wordt de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet verlengd. Gelet op deze toelichting is de kantonrechter van oordeel dat de opleiding noodzakelijk is voor de functie. Verder oordeelt de kantonrechter dat werkgeefster de beroepsopleiding kosteloos had moeten aanbieden. Het studiekostenbeding is nietig op grond van artikel 7:611a lid 4 BW. Werkgeefster kon de kosten van de opleiding dus niet verhalen op werknemer. Werknemer heeft daarom onverschuldigd betaald en heeft recht op terugbetaling van € 3.375. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag en de proceskosten, inclusief nakosten.