Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 31 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11613
Feiten
Werkneemster is per 1 september 2023 in dienst getreden bij werkgeefster voor de duur van één jaar (tot 31 augustus 2024). In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst staat dat opzegging schriftelijk dient te geschieden tegen het einde van de maand. Bij brief van 19 juli 2024 is aan werkneemster medegedeeld dat zij haar arbeidsovereenkomst willen verlengen voor een jaar. Werkneemster heeft zich per 2 januari 2025 ziekgemeld. Op 5 juni 2025 heeft tussen partijen onder begeleiding van Work Solutions een driegesprek plaatsgevonden. Daarin is o.a. besproken dat een maand behandeling nodig is, dat werkneemster heeft aangegeven niet te willen re-integreren in de huidige praktijk en op welke wijze dat intern wordt gecommuniceerd. Op 12 juni 2025 heeft werkneemster aan collega’s per Whatapp bericht dat in overleg is besloten dat zij in een andere praktijk zal re-integreren. Op 29 juli 2025 heeft werkneemster aan werkgeefster gemaild dat de praktijkhouders waar zij kan re-integreren, een bevestiging wensen te ontvangen dat de aansprakelijkheidsverzekering van werkgeefster re-integratie elders dekt. Werkgeefster heeft aangegeven dat de verzekering is gekoppeld aan het dienstverband. Zodra het arbeidsverband stopt per 1 september 2025 stopt dus ook de aansprakelijkheidsverzekering (evenals alle andere verzekeringen en pensioen). De arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 31 augustus 2025. Bij brief van 30 oktober 2025 heeft de gemachtigde van werkneemster werkgeefster verzocht tot betaling van de aanzegvergoeding. Werkgeefster is niet tot betaling daarvan overgegaan. Werkneemster zoekt om betaling van de aanzegvergoeding.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster de arbeidsovereenkomst niet duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. De insteek van zowel het driegesprek van 5 juni 2025 en het afscheidsbericht per WhatsApp was re-integratie van werkneemster via het tweede spoor. Dit leidt tot het oordeel dat er geen sprake is van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkneemster. Werkgeefster heeft verder aangevoerd dat zij met haar e-mail van 30 juli 2025 heeft voldaan aan haar schriftelijke aanzegplicht. Dit verweer wordt verworpen. Voorafgaand aan die e-mail heeft werkneemster namens de praktijkhouders bij wie ze zou kunnen re-integreren, gevraagd of werkgeefster kon bevestigen dat haar aansprakelijkheidsverzekering re-integratie elders dekte. De e-mail van 30 juli 2025 is daar een reactie op in het kader van re-integratie van werkneemster bij een andere praktijkhouder en is, in tegenstelling tot de aanzeggingsbrief van 19 juli 2024, niet uit eigen beweging door werkgeefster verstuurd met de intentie om werkneemster tijdig te informeren dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Het voorgaande betekent dat werkgeefster aan werkneemster een vergoeding is verschuldigd gelijk aan één maand loon.
