Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 31 december 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:7351
Feiten
Werknemers zijn in 2015 arbeidsongeschikt geraakt. Na afloop van de loondoorbetalingsverplichting kwamen zij in aanmerking voor een WIA-uitkering, waardoor de arbeidsovereenkomsten met onderneming X slapend zijn geworden. De arbeidsovereenkomsten zijn op dat moment niet beëindigd. Werknemers hebben verzocht om beëindiging van hun dienstverband met betaling van een transitievergoeding. X heeft hier aanvankelijk niet aan meegewerkt. Nadat duidelijk werd dat een werkgever verplicht is mee te werken aan een dergelijk verzoek, zijn partijen opnieuw in gesprek gegaan. Op 20 december 2019 hebben werknemers en X een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarmee de arbeidsovereenkomsten zijn beëindigd. In die overeenkomst is een finalekwijtingsbepaling opgenomen. Op 21 oktober 2019 heeft werkgeefster aan de werknemers van X meegedeeld dat aan personen die op 17 april 2019 een actief dienstverband hadden en langer dan één jaar in dienst waren, een discretionaire bonus werd toegekend. De toekenning en hoogte van de bonus werden bepaald door werkgeefster, terwijl de uitbetaling plaatsvond via X. Onder een actief dienstverband werd verstaan het hebben van recht op loon. Werknemers ontvingen op 17 april 2019 geen loon meer, maar een WIA-uitkering, en hadden daardoor een slapend dienstverband. Zij ontvingen geen bonus. Hun verzoek om uitbetaling van de bonus werd geweigerd, omdat zij niet voldeden aan de voorwaarden. Voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is ook X verzocht om betaling van de bonus, maar die verwees naar werkgeefster. Werknemers hebben vervolgens een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM) tegen zowel X als werkgeefster. De klacht tegen X is niet-ontvankelijk verklaard wegens de finale kwijting. Het CRM heeft geoordeeld dat het handelen van werkgeefster niet onder de reikwijdte van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte valt. Werknemers vorderen een verklaring voor recht dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld door de criteria voor de toekenning van de bonus zodanig vast te stellen dat werknemers geen recht hadden op een bonus. Daarnaast vorderen zij inzage in de verdeelsleutel die werkgeefster heeft gehanteerd bij het bepalen van de hoogte van de bonussen.
Oordeel
Het verstrekkendste verweer van werkgeefster is dat werknemers geen belang hebben bij hun vorderingen wegens de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat dit verweer niet slaagt, omdat werkgeefster geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst, die uitsluitend is gesloten tussen werknemers en X. Ook het beroep op schending van de substantiëringsplicht slaagt niet. Hoewel de dagvaarding summier is en er onduidelijkheid bestaat over de rechtsgrond, verbindt de rechtbank daaraan geen gevolgen, omdat door de conclusie van antwoord en de mondelinge behandeling voldoende duidelijk is geworden wat partijen over en weer stellen. De rechtbank oordeelt, net als het CRM, dat het handelen van werkgeefster niet onder de reikwijdte van deze wet valt. Werkgeefster was geen werkgever van werknemers en had geen zeggenschap over hun arbeidsverhouding of arbeidsvoorwaarden. De eenmalige discretionaire bonus kan niet worden aangemerkt als een arbeidsvoorwaarde, maar als een gift van de voormalig aandeelhouder. Dat de bonus via X is uitbetaald, maakt dit niet anders. Voorts is niet gebleken dat werkgeefster gezag uitoefende over werknemers. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van het CRM en oordeelt dat het handelen van werkgeefster niet onder de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte valt. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de vraag of er sprake was van verboden onderscheid of een objectieve rechtvaardiging. De verklaring voor recht dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld wordt afgewezen. Ook de gevorderde inzage in de verdeelsleutel wordt afgewezen, nu niet is komen vast te staan dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld en werknemers daarbij geen belang hebben.
