Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 31 december 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:11636
Feiten
De goederen van mevrouw A staan sinds 18 februari 2016 onder beschermingsbewind bij de bewindvoerder. Werknemer en mevrouw A hebben een ‘zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst’ gesloten op basis waarvan werknemer per 14 februari 2022 in dienst is getreden bij mevrouw A in de functie van zorgverlener. Vanaf 1 juli 2024 is werknemer voor onbepaalde tijd in dienst bij mevrouw A. Per 5 augustus 2024 is werknemer ziek. Hij heeft tot 1 december 2024 salaris ontvangen, maar daarna niet meer. Op 4 december 2024 heeft Myrtax, de mentor van mevrouw A, een e-mail verstuurd naar werknemer waarin zij hem te kennen geeft dat het zorgkantoor de goedkeuring van de zorgovereenkomst tussen hem en mevrouw A met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 heeft ingetrokken. Bij brief van 23 december 2024 heeft de Sociale Verzekeringsbank van werknemer terugbetaling gevorderd van de betalingen die zij aan hem heeft verricht. Nadat werknemer hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend, heeft SVB de vordering ingetrokken. Op 5 juni 2025 heeft werknemer mevrouw A (en haar mentor) aangeschreven en verzocht om hem met terugwerkende kracht ziek te melden bij de SVB en ervoor te zorgen dat het salaris en de reiskosten van juli en augustus 2024 worden betaald. Werknemer verzoekt opgeroepen te worden voor een bedrijfsarts zodat zijn ziekmelding in behandeling kan worden genomen; ook verzoekt hij betaling van zijn salaris inclusief vakantiegeld. De bewindvoerder is niet verschenen, waarna de kantonrechter geoordeeld heeft dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW bestaat, zodat werknemer recht heeft op loon. De bewindvoerder komt in verzet en vordert haar te ontheffen van de veroordelen uitgesproken bij vonnis.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat de tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst is echter van bijzondere aard, nu die tevens een zorgovereenkomst is. Dit kleurt de arbeidsovereenkomst en kan van invloed zijn op de toewijsbaarheid van de vorderingen. Tussen partijen is in geschil of de overeenkomst is beëindigd. Voorts is voor de geldigheid van een ontbindende voorwaarde van belang in hoeverre de werkgever invloed kan uitoefenen op het intreden van de voorwaarde. Deze terughoudende benadering is ingegeven door de voor het arbeidsrecht kenmerkende bescherming van de werknemer als zwakke partij. Echter, in dit geval, waarbij sprake is van een zorgovereenkomst, is de werkgever de zwakkere, te beschermen partij. De regeling van de zorgovereenkomst en het PGB is niet in het leven geroepen om (mantel)zorgverleners een sterkere positie te verschaffen ten opzichte van de zorgcliënt. De bewindvoerder stelt dat de overeenkomst is beëindigd doordat de ontbindende voorwaarde is vervuld. Werknemer betwist dat de ontbindende voorwaarde is vervuld en dat de overeenkomst is beëindigd. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de ontbindende voorwaarde niet in strijd is met het stelsel van het arbeidsrecht, dat deze is vervuld en dat de overeenkomst aldus per 31 december 2024 is beëindigd. De ontbindende voorwaarde past in dit geval binnen het gesloten stelsel van het ontslagrecht. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst van bijzondere aard, die onlosmakelijk is verbonden met zorgverlening die wordt gefinancierd uit PGB. De mogelijkheid tot loonbetaling is afhankelijk gesteld van het voortbestaan van die financiering. Nu betaling van het loon uit het PGB voor de zorgverlening door werknemer niet langer mogelijk is door de beëindiging van de zorgovereenkomst, is een kernvoorwaarde waaronder de arbeidsovereenkomst was aangegaan komen te vervallen. De beëindiging van de zorgovereenkomst berust op een besluit van het Zorgkantoor, dat daartoe exclusief bevoegd is. Deze beslissing ligt in beginsel buiten de invloedssfeer van mevrouw A, nu dit een publiekrechtelijke beoordeling betreft over het al dan niet mogen aanwenden van publieke middelen voor de betreffende zorgverlening. Voorshands is niet vast komen te staan dat mevrouw A een zodanige mate van invloed heeft gehad op het intreden van de ontbindende voorwaarde. De overeenkomst tussen partijen is dus beëindigd en werknemer heeft vanaf 1 januari 2025 geen recht op loon, zodat zijn vorderingen niet kunnen worden toegewezen.
