Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 30 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:15033
Tussenbeschikking in ontslag op staande voet-zaak. Werkgeefster krijgt de gelegenheid nader bewijs te leveren.

Feiten

Werknemer is op 5 september 2022 in dienst getreden bij werkgeefster. Met ingang van 1 december 2022 is hij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van ‘cleaner’, met een basissalaris van laatstelijk € 2.939,55 bruto per maand plus emolumenten. Werknemer is arbeidsongeschikt sinds 31 juli 2023. De 104-weken termijn is bereikt op 28 juli 2025. Hij heeft op 30 april 2025 een WIA-uitkering aangevraagd. Bij brief van 19 juni 2025 heeft het UWV beslist dat werkgeefster niet aan (al) haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, waardoor de loondoorbetalingsverplichting is verlengd tot 27 juli 2026. Bij brief van 24 september 2025 is werknemer op staande voet ontslagen omdat hij (i) een collega heeft geslagen, (ii) hij in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij niet heeft geslagen en hij (iii) heeft geweigerd om op gesprek te komen bij werkgeefster. Werknemer stelt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat er geen sprake is van een dringende reden. Hij verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet en (meer) subsidiair betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

Oordeel

Het ontslag is onverwijld gegeven

De kantonrechter stelt vast dat het ontslag onverwijld is gegeven. Op basis van de gebeurtenissen op 22 september 2025 heeft werkgeefster onmiddellijk onderzoek verricht en in dat kader gesprekken gevoerd met getuigen en directe collega’s van werknemer. Op 23 september 2025 is er een hoor- en wederhoorgesprek gevoerd en een vervolggesprek, waarna vervolgens een nadere e-mailwisseling heeft plaatsgevonden over een tweede gesprek op 24 september 2025, waarvan werknemer heeft aangegeven verhinderd te zijn.

Is er sprake van dringende redenen?

De door werkgeefster gestelde weigering van werknemer om op gesprek te komen levert naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op. Ten aanzien van de door werkgeefster overige aangevoerde dringende redenen, betwist werknemer stellig dat hij zijn collega heeft geslagen. De kantonrechter vindt dat de verweten gedraging, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, de (deels) nog niet volledig duidelijke getuigenverklaringen en het gebrek aan de door werkgeefster genoemde, maar nog niet overgelegde medische verklaring van de huisarts, nog onvoldoende vaststaat. Werkgeefster wordt in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat werknemer een collega heeft geslagen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van nader genoemde  getuigen. Aan haar tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft werkgeefster grotendeels dezelfde beschuldigingen ten grondslag gelegd als aan het ontslag op staande voet. Ook ten aanzien van dit verzoek geldt dat de bewijslast voor de genoemde gronden op haar rust. Om deze reden zal de opgedragen bewijsopdracht ook gelden voor het tegenverzoek.