Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 17 december 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:5336
Na faillissement van werkgeefster wordt de andere vennootschap hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor achterstallig loon wegens een stilzwijgende opdrachtovereenkomst.

Feiten

De heer X is in september 2021 als adviseur gaan werken voor een bedrijf en is per 1 mei 2022 bij gedaagde Y in dienst getreden als directeur. In verband met zijn verhuizing en het ontbreken van een vestigingsplaatsvergunning bij Y is per 1 november 2022 een arbeidsovereenkomst gesloten met een nieuw opgerichte, eveneens tot Y behorende vennootschap, waar X in dienst trad als algemeen directeur. In oktober 2023 hebben partijen een intentieovereenkomst gesloten over een mogelijke overname, waaraan geen uitvoering is gegeven. In 2025 is X arbeidsongeschikt geworden en op 9 juli 2025 is hem meegedeeld dat zijn functie vervalt. Sinds augustus 2025 heeft X geen salaris meer ontvangen. Op 8 oktober 2025 heeft X conservatoir derdenbeslag gelegd op bankrekeningen van Y. Bij beschikking van 25 november 2025 is de nieuw opgerichte vennootschap failliet verklaard. X vordert in kort geding veroordeling van Y tot betaling van € 50.240,26 netto aan achterstallig salaris over augustus tot en met oktober 2025, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, € 5.375,88 netto aan onkosten, € 40.507,45 aan achterstallig salaris uit hoofde van de intentieovereenkomst, verstrekking van correcte bruto-nettospecificaties, alsmede betaling van beslag- en proceskosten. Y heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

Oordeel

Nu de nieuw opgerichte vennootschap failliet is verklaard, is de procedure tegen haar van rechtswege geschorst en wordt de zaak alleen voortgezet tegen Y. X heeft een spoedeisend belang bij zijn loonvordering, nu hij sinds augustus 2025 geen salaris ontvangt. De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst tussen X en Y door de indiensttreding van X bij de nieuw opgerichte vennootschap per 1 november 2022 (stilzwijgend) is geëindigd, zodat Y niet als werkgever kan worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat beide arbeidsovereenkomsten zagen op grotendeels dezelfde werkzaamheden, dat het praktisch niet mogelijk is twee fulltime dienstverbanden naast elkaar te vervullen en dat het salaris feitelijk (enkel) via de nieuw opgerichte vennootschap werd betaald. Van een schijnconstructie of misbruik is niet gebleken. Wel acht de kantonrechter voorshands voldoende aannemelijk dat sprake is van een (al dan niet stilzwijgende) overeenkomst van opdracht tussen de nieuw opgerichte vennootschap en Y, op grond waarvan X in dienst van de nieuw opgerichte vennootschap werkzaamheden verrichtte ten behoeve van het concern van Y. Daarbij weegt mee dat X nagenoeg uitsluitend werkzaamheden verrichtte voor Y, zijn indiensttreding bij de nieuw opgerichte vennootschap mede was ingegeven door fiscale en vestigingsplaatsredenen, zijn loonkosten intercompany werden doorbelast en de activiteiten van die vennootschap mede zien op het ter beschikking stellen van personeel binnen het concern. Op grond van artikel 7:616a BW is Y daarom hoofdelijk aansprakelijk voor het aan X verschuldigde loon. Hoewel sprake is van een restitutierisico, valt de belangenafweging in het voordeel van X uit, nu hij al geruime tijd zonder inkomen zit en afhankelijk is van zijn loon voor het levensonderhoud van zijn gezin. De vordering tot betaling van het achterstallige salaris over augustus tot en met oktober 2025 van € 50.240,26 netto wordt toegewezen, evenals de wettelijke rente. De wettelijke verhoging wordt afgewezen. De vorderingen tot betaling van onkosten en nabetaling van salaris uit hoofde van de intentieovereenkomst worden afgewezen, nu hiervoor geen hoofdelijke aansprakelijkheid geldt en onvoldoende aannemelijk is geworden dat X daarop aanspraak heeft. Y wordt veroordeeld tot het verstrekken van correcte bruto-nettospecificaties alsmede tot betaling van de beslag- en proceskosten.