Naar boven ↑

Rechtspraak

IT Academie B.V./werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 15 oktober 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:6973
Terugbetalingsregeling in opleidingsovereenkomst kwalificeert als studiekostenbeding gelet op de samenhang met de arbeidsovereenkomst. Vordering tot terugbetaling afgewezen omdat geen duidelijkheid is verschaft over financiƫle consequenties.

Feiten

Op 6 december 2022 heeft gedaagde een opleidingsovereenkomst gesloten met IT Academie B.V. (hierna: ITA). Aan de opleiding is een baangarantie gekoppeld indien deze met succes wordt afgerond door het behalen van bepaalde certificaten. Op 16 januari 2023 heeft met gedaagde een voortgangsgesprek plaatsgevonden. Gedaagde heeft op 31 januari 2023 aan ITA medegedeeld dat hij de opleiding wegens persoonlijke problemen wilde beëindigen. Bij brief van 4 april 2023 heeft ITA aanspraak gemaakt op betaling van € 5.000 wegens afkoop studiekosten. ITA vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde tot betaling van € 5.705. Het daadwerkelijk gedurende bepaalde tijd in dienst nemen van of uitlenen van een cursist, vormt voor ITA de basis van haar verdienmodel bij een dergelijke opleiding. Om die reden is in de overeenkomst opgenomen dat de cursist zich minimaal een jaar aaneengesloten verbindt aan IT Zaken of ITA. Hieraan is een boetebeding gekoppeld. ITA wil hiermee voorkomen dat zij met opleidingskosten van de cursist wordt opgezadeld, indien de overeenkomst door toedoen van de cursist binnen een jaar wordt beëindigd. Aangezien gedaagde binnen een jaar de opleidingsovereenkomst op eigen initiatief heeft beëindigd, heeft ITA op 4 april 2023 een factuur naar gedaagde verzonden voor een bedrag van € 5.000.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is, omdat het boetebeding in de opleidingsovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een studiekostenbeding. ITA heeft in de opleidingsovereenkomst de voorwaarde gesteld dat de cursist minimaal een jaar verbonden blijft aan ITA en dat – na goed verloop – na 20 weken een arbeidsovereenkomst zou worden gesloten. De eerste 20 weken betreffen een precontractuele periode. Gelet hierop zou de opleidingsovereenkomst deel uit gaan maken van de arbeidsovereenkomst. Het boetebeding is bedoeld als vergoeding voor de gemaakte studiekosten, maar gelet op de samenhang met de arbeidsovereenkomst betreft dit in principe een terugbetalingsregeling die voor een jaar geldt. Om die reden is het boetebeding gelijk aan een studiekostenbeding. Aan een terugbetalingsregeling voor opleidingen tijdens een dienstverband wordt in het algemeen de eis gesteld dat de consequenties daarvan duidelijk aan de werknemer moeten zijn uiteengezet. Het staat ITA in beginsel vrij om een studiekostenbeding te sluiten met haar cursisten, maar zij dient hierin (als aanstaande goed werkgever) duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de financiële consequenties daarvan (zie daarvoor HR 10 juni 1983, NJ 1983/796). Daaraan heeft ITA niet voldaan. De studiekosten zijn namelijk niet gespecificeerd in de opleidingsovereenkomst. Ook had ITA gedaagde vooraf duidelijk moeten maken welk financieel risico hij loopt, indien gedaagde de afspraken in de studieovereenkomst niet nakomt. ITA heeft hieraan niet voldaan aangezien gedaagde al aan de opleiding was begonnen en pas drie weken later op de hoogte werd gesteld van het boetebeding. De conclusie is dat gedaagde de vordering niet hoeft te betalen, omdat ITA hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de opleidingskosten c.q. het boetebeding. ITA wordt in de proceskosten veroordeeld.