Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 2 december 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2531
Feiten
Werknemer werkt sinds 2014 bij GGZ‑instelling Antes als begeleider op de LOPP‑afdeling. Hij is op 18 september 2023 ziek uitgevallen. Volgens de bedrijfsarts hangen zijn klachten (voor 80%) samen met werkgerelateerde onveiligheid. Er worden re‑integratieafspraken gemaakt over geleidelijke opbouw in dagdiensten en steun van vaste medewerkers/FACT‑team. Op 20 maart 2024, tijdens een dagdienst, was werknemer medicijnen aan het uitzetten toen patiënt X het kantoor binnenkwam. Vast staat dat X als eerste fysiek werd. Daarna ontstond een fysiek incident. Patiënt Y kwam later binnen. Antes stelt dat werknemer patiënt X meerdere keren heeft geslagen, excessief geweld heeft gebruikt en later toestond dat patiënt Y ook sloeg. Werknemer zegt dat hij onverwacht een vuistslag kreeg en patiënt X alleen van zich heeft afgeduwd. Antes vroeg de kantonrechter om ontbinding zonder opzegtermijn en zonder transitievergoeding wegens (ernstig) verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsverhouding of de cumulatiegrond. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 wegens een verstoorde arbeidsverhouding en kende een transitievergoeding toe. In hoger beroep verzoekt werknemer herstel van de arbeidsovereenkomst of, subsidiair, een hoge billijke vergoeding. Antes vordert in incidenteel appèl onder meer een eerdere ontbindingsdatum, geen transitievergoeding en terugbetaling van loon.
Oordeel
Opzegverbod tijdens ziekte
Het hof stelt vast dat werknemer ten tijde van het incident en het ontbindingsverzoek nog arbeidsongeschikt was en dat die arbeidsongeschiktheid mede het gevolg is van door hem ervaren onveiligheid op de werkvloer. Op grond van artikel 7:670 lid 1 BW geldt dan een opzegverbod wegens ziekte. Ontbinding op verzoek van de werkgever is alleen mogelijk als een van de uitzonderingen van artikel 7:671b lid 6 BW van toepassing is. Volgens het hof houdt het ontbindingsverzoek verband met de omstandigheden waarop het opzegverbod ziet. Het verwijt van Antes – een ontspoorde reactie op een agressieve patiënt – laat zich niet los zien van de psychische toestand van werknemer, die mede werd veroorzaakt door langdurige onveiligheid en door niet (volledig) nagekomen re‑integratieafspraken. De eerste uitzondering (geen verband met de ziekteomstandigheden) is daarom niet van toepassing. De tweede uitzondering (ontbinding in het belang van de werknemer) evenmin: voor werknemer lag eerder een (tijdelijke) overplaatsing naar een andere locatie in de rede dan beëindiging van zijn dienstverband. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst dus in strijd met het opzegverbod ontbonden.
Billijke vergoeding
Herstel van de arbeidsovereenkomst acht het hof niet reëel, omdat de vertrouwensbasis tussen partijen volledig is verdwenen en concrete mogelijkheden voor inzet van werknemer op een andere locatie ontbreken. Daarom veroordeelt het hof Antes tot betaling van een billijke vergoeding. Bij de berekening sluit het hof aan bij het loon dat werknemer zou hebben ontvangen tot het einde van het tweede ziektejaar (15 september 2025), in totaal € 40.876,25 bruto (8,5 maanden à € 4.808,97). Daarnaast wordt rekening gehouden met pensioenschade over die periode van € 6.179,38. De door werknemer ontvangen Ziektewetuitkering wordt daarop in mindering gebracht; het hof schat die op circa € 17.850 netto over de relevante periode. Onder afweging van deze factoren stelt het hof de billijke vergoeding vast op € 25.000 bruto. Het hof ziet geen grond om de billijke vergoeding te verhogen wegens ernstig verwijtbaar handelen van Antes. Hoewel het denkbaar is dat betere organisatorische en veiligheidsmaatregelen het incident hadden kunnen voorkomen, is er – mede gezien de complexe patiëntpopulatie, personeelstekorten en beperkte middelen – hooguit sprake van verwijtbaarheid, niet van ernstige verwijtbaarheid. Ook de gestelde gebrekkige nazorg en re‑integratie na het incident leggen onvoldoende verband met de beëindiging zelf.
Incidenteel hoger beroep
Het incidentele hoger beroep van Antes faalt. Het hof acht, net als de kantonrechter, niet bewezen dat werknemer patiënt X herhaaldelijk heeft geslagen of samen met patiënt Y heeft mishandeld. De verklaringen van de collega zijn tegenstrijdig en slechts deels gebaseerd op eigen waarneming. Het sepot van de aangifte van werknemer tegen patiënt X bevat slechts een suggestie, maar geen doorslaggevend bewijs van mishandeling door werknemer. Zelfs als werknemer in de hectiek te fors heeft gereageerd, is dat onder de omstandigheden niet ‘ernstig verwijtbaar’. Per saldo heeft werknemer in hoger beroep succes: de ontbinding blijkt in strijd met het opzegverbod en hij krijgt een billijke vergoeding van € 25.000 bruto. De beschikking van de kantonrechter blijft voor het overige in stand.
