Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 23 april 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:4839
Feiten
Werknemer is in oktober 2022 in dienst getreden bij werkgeefster, een hotel, en was laatstelijk werkzaam als manager dakterras. Tijdens een besloten feest op 10 december 2024 is tussen werknemer en de eigenaar van het hotel ruzie ontstaan. Op 11 december 2024 is werknemer op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief schrijft de gemachtigde van werkgeefster dat het ontslag is gegeven, omdat – kort gezegd – werknemer zich op 10 december 2024 zodanig brutaal en onbeschoft jegens de eigenaar van het hotel heeft gedragen dat werkgeefster dit niet kan en wil tolereren. Werknemer berust in het ontslag, maar verzoekt toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Werkgeefster stelt zich op het standpunt dat werknemer zelf op 10 december 2024 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring
De kantonrechter oordeelt dat uit de door werkgeefster gestelde mededelingen en gedragingen niet volgt dat er sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van werknemer, die erop was gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De mededeling ‘I quit’ en het inleveren van de sleutels bij een collega met daarbij de mededeling dat hij niet weer terugkomt is daarvoor onvoldoende, mede gelet op de daaraan voorafgaande ruzie tussen werknemer en de eigenaar van het hotel, waardoor werknemer ten tijde van die mededelingen en gedragingen, zo begrijpt de kantonrechter, geëmotioneerd was. Onder die omstandigheden mocht werkgeefster er niet op vertrouwen dat werknemer de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wilde beëindigen.
Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet
Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat werknemer zich op 10 december 2024 allerminst professioneel jegens de eigenaar van het hotel heeft geuit, rechtvaardigt dit niet zonder meer het ontslag op staande voet. De bewoordingen en gedragingen van werknemer moeten worden bezien in de context van het geval. Niet ter discussie staat dat het op 10 december 2024, vanwege het besloten feest met circa veertig gasten, een drukke avond was en dat bij de inkoop een aantal zaken was misgegaan, waardoor op de werkvloer de nodige stress was ontstaan en het voor iedereen hard werken was. Hoewel van een werknemer verwacht mag worden dat hij zich ook onder dergelijke omstandigheden respectvol en professioneel opstelt richting zijn werkgever, is het voorstelbaar dat de emoties onder deze omstandigheden (sneller) kunnen oplopen en dat vanuit die emotie dingen gezegd kunnen worden die beter niet gezegd hadden kunnen worden. Een en ander levert naar het oordeel van de kantonrechter geen dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het ontslag is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.
Vergoedingen
Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding van € 1.754,16 bruto en een billijke vergoeding van € 5.000 bruto. De kantonrechter neemt bij de beoordeling van de hoogte van de billijke vergoeding mee dat werknemer twee maanden inkomen uit arbeid is misgelopen en dat ook werknemer een verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid die tot de opzegging heeft geleid. Dit verwijt is niet zo ernstig dat sprake is van een dringende reden, maar de kantonrechter houdt er wel rekening mee bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
