Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Brand Preventie Groep B.V.
Rechtbank Noord-Holland, 26 september 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:11085
Het proeftijdontslag is gebaseerd op redenen die rechtstreeks samenhangen met de geloofsuitingen van werknemer, waarmee sprake is van verboden direct onderscheid. BPG moet de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding betalen.

Feiten
Werknemer is op 14 april 2025 in dienst getreden bij Brand Preventie Groep B.V. (hierna: BPG) in de functie van servicemonteur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 30 november 2025, waarin een proeftijd van één maand is opgenomen. Tot zijn werkzaamheden behoort het uitvoeren van veiligheidscontroles en eventuele reparaties bij klanten van BPG. Op 18 april 2025 heeft BPG de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd met onmiddellijke ingang opgezegd. In de e-mail waarmee dit ontslag is bevestigd, noemt BPG als redenen dat werknemer op klantlocaties wil bidden en niet bij varkenshouderijen wil werken vanwege zijn geloofsovertuiging. Werknemer stelt dat deze redenen in direct verband staan met zijn geloof en dat er sprake is van een verboden onderscheid. Hij verzoekt toekenning van de gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding, de transitievergoeding en afgifte van loonspecificaties. BPG stelt dat er geen sprake is van discriminatie, maar van een mismatch omdat werknemer zich onvoldoende flexibel opstelde. Partijen twisten over de vraag of het proeftijdontslag is ingegeven door de geloofsovertuiging van werknemer en daarmee een verboden onderscheid oplevert.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt vast dat het proeftijdontslag is ingegeven door redenen die direct samenhangen met de wijze waarop werknemer zijn geloofsovertuiging tot uiting brengt. In de opzeggingsmail noemt BPG expliciet het willen bidden tijdens werktijd en het niet willen werken in varkenshouderijen vanwege het geloof. Daarmee heeft werknemer voldoende feiten gesteld die het vermoeden van verboden direct onderscheid op grond van godsdienst rechtvaardigen. BPG is er niet in geslaagd dit vermoeden te weerleggen. Het door BPG gestelde belang van neutraliteit vormt geen objectieve rechtvaardiging, omdat directe discriminatie nooit kan worden gerechtvaardigd en bovendien niet is gebleken van een algemene, consistent toegepaste neutraliteitsregel binnen het bedrijf. Daarom staat vast dat het ontslag berust op verboden onderscheid in de zin van de Awgb en is het proeftijdontslag niet rechtsgeldig.

Vergoedingen

Omdat er sprake is van een discriminatoire opzegging heeft werknemer recht op de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging. Deze wordt vastgesteld op € 3.898,67 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente. Daarnaast is BPG de transitievergoeding verschuldigd, omdat de opzegging tijdens de proeftijd niet rechtsgeldig is; deze bedraagt € 81,60 bruto. Ook wordt een billijke vergoeding toegekend, nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door BPG. Rekening houdend met het inkomensverlies tot einde contractduur, beperkt door de inkomsten uit nieuw werk, alsmede het kwetsende karakter van een opzegging wegens geloofsovertuiging, stelt de kantonrechter deze vergoeding vast op € 15.000 bruto, met wettelijke rente.