Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 1 juli 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:1843
Feiten
Krachtens schriftelijke overeenkomst van opdracht heeft opdrachtgever zzp’er opdracht gegeven om ter uitvoering van een door hem aangenomen project werkzaamheden te verrichten als “boorgatenmachinebediende”. Op 22 en 23 maart 2021 heeft zzp’er gewerkt. Op 24 maart 2021 heeft zzp’er een Whatsapp-bericht gestuurd dat hij die dag niet naar het werk kwam omdat zijn nek pijn deed. Op 25 maart 2021 om 6.32 uur heeft hij weer een Whatsapp-bericht gestuurd, dat hij onderweg was en er over een paar minuten zou zijn. Zzp’er heeft die dag gewerkt. Zzp’er heeft op 26 maart 2021 de spoedeisende hulpafdeling van het ziekenhuis bezocht. Aldaar heeft zzp’er verteld dat hij drie dagen ervoor een steen op zijn hoofd heeft gekregen en dat hij een helm droeg. Sindsdien, zo gaf hij aan, had hij last van hoofdpijn en misselijkheid. De conclusie was: een trauma capitis [hof: hoofdletsel] zonder afwijkingen op de CT. Op 6 juli 2021 heeft zzp’er aan opdrachtgever gevraagd om het ongevallenmeldingsformulier van het ongeluk. Op 17 november 2021 heeft zich een gemachtigde van zzp’er gemeld bij opdrachtgever. Tussen partijen is vervolgens gecorrespondeerd, maar dat heeft niet geleid tot erkenning van aansprakelijkheid door opdrachtgever. In eerste aanleg heeft de kantonrechter de verklaring voor recht dat opdrachtgever aansprakelijk is, afgewezen. In het mondelinge eindvonnis van 2 november 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit niets objectiefs blijkt dat het ongeval zich heeft voorgedaan. Zzp’er komt tegen het vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof heeft zzp’er voldoende gesteld om hem tot bewijslevering toe te laten. Zzp’er geeft aan dat er drie collega’s bij het ongeval aanwezig waren: A, D en nog een derde persoon. Hij beschikt niet over de NAW-gegevens van deze personen en heeft opdrachtgever verzocht om hem deze te verstrekken. Opdrachtgever heeft aan dit verzoek niet voldaan. Het hof stelt vast dat niet is betwist dat de genoemde drie personen destijds op de plaats van het gestelde ongeval aanwezig waren. Op grond van vaste jurisprudentie kan een bewijsaanbod niet worden gepasseerd op grond van een prognose van de uitkomst van de bewijslevering. Het is aan opdrachtgever om de hem laatst bekende NAW-gegevens van deze drie personen aan zzp’er te verstrekken, zodat deze door hem als getuigen kunnen worden opgeroepen. Alvorens zzp’er de gelegenheid te geven om bewijs te leveren, bepaalt het hof een mondelinge behandeling. Zzp’er heeft niets over de omvang van zijn schade gesteld hoewel er al meer dan vier jaren zijn verstreken na het gestelde ongeval. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dit voor toewijzing van de onderhavige vorderingen ook geen vereiste. Zzp’er dient de mogelijkheid dat er schade is of zal worden geleden, slechts aannemelijk te maken. Aan dit minimale vereiste heeft zzp’er voldaan. Op grond van het bepaalde in artikel 612 Rv dient de rechter echter voor zover mogelijk de schade in de uitspraak te begroten. Het hof draagt zzp’er op om uiterlijk vier weken voorafgaande aan de zitting een schadestaat, voorzien van bewijsstukken, over te leggen. Tevens krijgt opdrachtgever de gelegenheid om te reageren op de producties die zzp’er bij antwoordakte in het geding heeft gebracht.
