Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 november 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6719
Feiten
Werknemer is op 26 februari 2018 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van specialist op de afdeling Info Management en Architectuur. In de arbeidsovereenkomst is Zwolle als standplaats opgenomen. In het najaar van 2019 heeft werknemer aan zijn leidinggevende gemeld dat hij, vanwege de gezondheidstoestand van zijn echtgenote, overwoog terug te keren naar Ecuador, waar hij eerder met zijn gezin heeft gewoond. Werknemer heeft met zijn leidinggevende de mogelijkheid besproken om vanuit Ecuador thuis te werken. Na advies van de HR-afdeling heeft werkgeefster op 26 maart 2020 afspraken bevestigd. Deze hielden samengevat in dat werknemer gedurende een periode van twaalf maanden afwisselend vanuit Ecuador en Nederland zou werken, dat bij ziekte het verzuimbeleid van werkgeefster zou worden gevolgd, dat bij onwerkbaarheid gezamenlijk naar een oplossing zou worden gezocht en dat de bestaande arbeidsvoorwaarden van kracht zouden blijven, evenals toekomstige wijzigingen in wetgeving, cao of personeelsregelingen. Op 27 maart 2020 heeft werknemer hierover een vraag gesteld, waarop een HR-medewerker van werkgeefster heeft bevestigd dat het afgesproken werkschema kon worden gevolgd en dat de situatie jaarlijks zou worden bekeken. Eind juni 2020 is werknemer met zijn gezin vertrokken naar Ecuador. Vanwege de coronapandemie is werknemer pas in oktober 2021 weer in Nederland geweest. Vanaf 2022 werkte werknemer voornamelijk vanuit Ecuador. In april 2023 heeft werkgeefster beleid ingevoerd voor kortdurend werken vanuit het buitenland (workations). In december 2024 heeft werkgeefster aan werknemer meegedeeld niet langer bereid te zijn het werken vanuit Ecuador te continueren en deze werkwijze te willen afbouwen. Nadat plaatsing bij een partnerorganisatie in Ecuador niet mogelijk bleek, heeft werkgeefster op 22 mei 2025 een overgangsregeling voorgesteld, inhoudende dat werknemer uiterlijk per 1 augustus 2025 aan het workation-beleid zou moeten voldoen. Partijen hebben hierover uitgebreid gecorrespondeerd, maar geen overeenstemming bereikt.
Werknemer verzoekt de kantonrechter te bepalen dat de tussen hem en werkgeefster gemaakte afspraken over het werken vanuit Ecuador onderdeel zijn gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst en door werkgeefster dienen te worden nagekomen. Werknemer stelt dat het eenzijdig beëindigen van deze internationale werkregeling in strijd is met goed werkgeverschap en een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op zijn belangen. Daarnaast verzoekt werknemer te bepalen dat het protocol inzake internationale werkafspraken niet op hem van toepassing is en niet kan worden gebruikt om hem te verplichten zijn werkzaamheden permanent vanuit Nederland te verrichten. Werknemer verzoekt voorts vast te stellen dat hij gerechtigd is zijn werkzaamheden vanuit Ecuador voort te zetten, met slechts incidentele fysieke aanwezigheid in Nederland, en verzoekt werkgeefster te veroordelen in de proceskosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat bij de vraag of een gedragslijn een arbeidsvoorwaarde is geworden, beslissend is welke betekenis partijen daaraan over en weer redelijkerwijs mochten toekennen. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat de afspraken over het thuiswerken vanuit Ecuador onderdeel zijn gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgeefster. De afspraken zijn in onderling overleg en na HR-advies tot stand gekomen, schriftelijk vastgelegd en jarenlang uitgevoerd. Hoewel sprake was van een voorbehoud van tijdelijkheid en evaluatie, is niet gebleken dat dit voorbehoud daadwerkelijk is toegepast. De werkwijze heeft het functioneren van werknemer niet belemmerd en is na de coronapandemie zelfs ruimer uitgevoerd dan oorspronkelijk afgesproken. Werknemer mocht er daarom redelijkerwijs op vertrouwen dat deze werkwijze zou worden voortgezet. Het belang van werknemer bij voortzetting van het werken vanuit Ecuador is groot en ongewijzigd gebleven. Het belang van werkgeefster bij toepassing van het nieuwe workation-beleid weegt in dit geval minder zwaar. De door werkgeefster aangevoerde argumenten van consistent beleid, precedentwerking en risico’s zijn onvoldoende, mede omdat de werkwijze jarenlang probleemloos is toegepast en er sprake is van bijzondere omstandigheden. Van werkgeefster mocht als goed werkgever worden verwacht dat zij maatwerk zou leveren, hetgeen onvoldoende is gebeurd. Omdat het werken vanuit Ecuador als arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt, kan werkgeefster deze niet wijzigen met een beroep op haar instructierecht. Ook op grond van artikel 7:613 BW is onvoldoende gebleken van zwaarwegende belangen die wijziging rechtvaardigen. Het tegenverzoek van werkgeefster wordt afgewezen.
De verzoeken van werknemer zijn ruim en deels tegenstrijdig geformuleerd. De kantonrechter vat het primaire verzoek op als een verzoek om een verklaring voor recht dat werkgeefster de afspraken over het werken vanuit Ecuador moet nakomen. Daarmee ontbreekt belang bij de overige verklaringen. Het verzoek om te bepalen dat werknemer gerechtigd is zijn werkzaamheden vanuit Ecuador voort te zetten met een fysieke aanwezigheid van vier tot zes weken per jaar wordt afgewezen, omdat de standplaats Zwolle blijft en er geen duidelijke afspraak bestaat over de frequentie van fysieke aanwezigheid in Nederland. Het verzoek om vergoeding van de werkelijke proceskosten wordt afgewezen, omdat er geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. In het tegenverzoek komen de proceskosten eveneens voor rekening van werkgeefster en worden deze aan de zijde van werknemer begroot op nihil.
