Naar boven ↑

Rechtspraak

Locatrans Sàrl/ES
Hof van Justitie van de Europese Unie, 2 december 2025
ECLI:EU:C:2025:955
Toepasselijk recht: plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde, is relevant criterium voor 'nauwere band-toets'.

Feiten

Bij arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2002 heeft Locatrans, een in Bettembourg (Luxemburg) gevestigde vervoersonderneming, ES als chauffeur in dienst genomen met een arbeidstijd van 166 uur per maand. In deze arbeidsovereenkomst was bepaald dat het Luxemburgse recht van toepassing was en dat de transportwerkzaamheden van ES hoofdzakelijk plaatsvonden in Duitsland, de Benelux, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk. Bij brief van 31 maart 2014 heeft Locatrans ES erover geïnformeerd dat zij na onderzoek van de werkzaamheden in loondienst van ES over de laatste achttien maanden had vastgesteld dat hij een aanzienlijk deel van die werkzaamheden, namelijk meer dan 50 %, in Frankrijk verrichtte en dat zij bijgevolg verplicht was hem bij het Franse socialezekerheidsstelsel aan te sluiten. Bij brief van 17 april 2014 heeft Locatrans tegenover ES het aanbod bevestigd om hem bij een Franse onderneming in dienst te laten treden en hem meegedeeld dat hij vanaf 16 juli 2014 niet langer deel zou uitmaken van het personeelsbestand van Locatrans omdat hij weigerde in te stemmen met de vermindering van zijn arbeidstijd.

Op 8 januari 2015 heeft ES bij de conseil de prud’hommes de Dijon (arbeidsrechter Dijon, Frankrijk) beroep ingesteld teneinde de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst te betwisten en verschillende schadevergoedingen te verkrijgen. Bij vonnis van 4 april 2017 heeft deze rechterlijke instantie de vorderingen van ES afgewezen op grond dat het Luxemburgse recht van toepassing was op de uitvoering en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, dat het ontslag van ES duidelijk en ondubbelzinnig was en dat er geen reden was om dit ontslag te herkwalificeren als onrechtmatige beëindiging. ES heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Dijon (rechter in tweede aanleg Dijon, Frankrijk), die dat vonnis bij arrest van 2 mei 2019 heeft vernietigd. De cour d’appel de Dijon heeft opgemerkt dat de partijen bij de betrokken arbeidsovereenkomst ervoor hadden gekozen om het Luxemburgse recht op de arbeidsverhouding toe te passen, maar dat Locatrans in de brief van 31 maart 2014 had erkend dat ES het grootste deel van zijn arbeid in Frankrijk had verricht, hetgeen ES heeft bevestigd. Gelet op artikel 6 van het Verdrag van Rome heeft deze rechterlijke instantie vastgesteld dat de keuze van partijen voor het Luxemburgse recht er niet toe kon leiden dat ES de bescherming werd ontnomen die hij genoot door de dwingende bepalingen van Frans recht en in het bijzonder die betreffende de wijziging en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bijgevolg heeft de cour d’appel de Dijon de betrokken beëindiging van de arbeidsovereenkomst geherkwalificeerd als ontslag, vastgesteld dat dit ontslag niet berustte op een gewichtige reden en Locatrans ertoe veroordeeld verschillende schadevergoedingen aan ES te betalen. Locatrans heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk).

De Cour de cassation vraagt of de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of de uitleg van het Weber-arrest (inzake het Executieverdrag) naar analogie moet worden toegepast (laatstelijk verrichte werkzaamheden in plaats van gehele dienstverband).

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. 

Plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde, is een relevant criterium voor 'nauwere band-toets'

Hoewel het zeker wenselijk is dat de materiële werkingssfeer en de bepalingen van het Verdrag van Rome ten opzichte van het Executieverdrag coherent zijn, hoeven deze bepalingen niet te worden uitgelegd in het licht van die van het Executieverdrag (zie in die zin HvJ EU 3 oktober 2019, Petruchová, C-208/18, ECLI:EU:C:2019:825, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De doelstellingen van het Verdrag van Rome en het Executieverdrag zijn namelijk verschillend. Terwijl de bepalingen van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 1 lid 1 ervan, van toepassing zijn op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, teneinde te bepalen welk materieel recht van toepassing is, stelt het Executieverdrag regels vast aan de hand waarvan kan worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil in burgerlijke en handelszaken. Hoewel beide verdragen normen op het gebied van individuele arbeidsovereenkomsten bevatten die de werknemer als zwakkere partij in de contractuele verhouding bescherming bieden, is het dus niet altijd mogelijk om de uitlegging van de bepalingen van het ene verdrag toe te passen op die van het andere verdrag. Het is met name niet haalbaar om het criterium van het land waar de werknemer “gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel 6 lid 2 onder a Verdrag van Rome uit te leggen naar analogie van de uitlegging die het Hof in zijn arrest van 27 februari 2002, Weber (C-37/00, ECLI:EU:C:2002:122), heeft gegeven aan het criterium van de “plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag. Er zij namelijk op gewezen dat dit artikel 5, punt 1, aanvankelijk artikel 19 Brussel I-verordening is geworden en vervolgens artikel 21 Brussel I bis-verordening, waarbij in deze laatste bepalingen uitdrukkelijk wordt verwezen naar zowel de “plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” als de “laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt”. Artikel 6 Verdrag van Rome is daarentegen artikel 8 Rome I-verordening geworden, dat geen dergelijk onderscheid maakt, aangezien de Uniewetgever ervan heeft afgezien deze bepaling aan artikel 19 Brussel I-verordening aan te passen.  Aangezien niet kan worden bepaald in welk land de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 6 lid 2 onder a Verdrag van Rome, moet dus worden uitgegaan van het criterium van “de vestiging (...) die de werknemer in dienst heeft genomen”, als bedoeld in artikel 6 lid 2 onder b Verdrag van Rome, die zich in casu in Bettembourg bevindt.

Overeenkomstig artikel 6 lid 2, laatste zinsdeel, Verdrag van Rome moet de nationale rechter, wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land, echter de aanknopingscriteria van artikel 6 lid 2 onder a en onder b Verdrag van Rome buiten toepassing laten en het recht van dat andere land toepassen (zie HvJ EU 12 september 2013, Schlecker, C-64/12, ECLI:EU:C:2013:551, punt 36). Hetzelfde geldt wanneer de partijen, zoals in casu, in de overeenkomst een bepaald recht hebben gekozen, indien dit de werknemer de bescherming ontneemt van de dwingende bepalingen van dat andere recht. Daartoe dient de nationale rechter rekening te houden met alle factoren die de arbeidsverhouding kenmerken en te bepalen welke factor of factoren daarvan volgens hem het zwaarste wegen. Tot die factoren behoren met name het land waar de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt en het land waar hij aangesloten is bij de sociale zekerheid en bij de verschillende pensioen-, ziekteverzekerings‑ en invaliditeitsregelingen. De nationale rechter dient eveneens rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, zoals met name de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden (zie in die zin Schlecker, punten 40 en 41). In dit verband vormt de plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde en die bedoeld is om een nieuwe plaats te worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, een relevante factor waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van alle omstandigheden zoals dat plaatsvindt op grond van artikel 6 lid 2, laatste zinsdeel Verdrag van Rome. Deze uitlegging van artikel 6 lid 2, laatste zinsdeel, Verdrag van Rome is in overeenstemming met de doelstellingen van deze bepaling en van dat verdrag in zijn geheel.

Conclusie

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome, en met name het laatste zinsdeel van artikel 6 lid 2, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van alle omstandigheden ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.