Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 4 november 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:6421
Opleiding moderne bedrijfsadministratie gevolgd door administratief medewerker kwalificeert niet als verplichte scholing. Studiekosten mogen echter niet worden teruggevorderd nu werkgever het initiatief tot beëindiging heeft genomen en onvoldoende heeft gewaarschuwd voor financiële risico’s.

Feiten

Werknemer is op 1 juni 2023 in dienst getreden bij werkgever als administratief medewerker. Op 25 juli 2023 sloten partijen een studiekostenovereenkomst voor de opleiding moderne bedrijfsadministratie, met een beoogde start op 13 september 2023, een duur van twaalf maanden en opleidingskosten van € 5.758,30. De overeenkomst bevatte een glijdende terugbetalingsregeling bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst en bepaalde dat bij een niet-afgeronde studie bij het einde van het dienstverband de totale vergoeding moest worden terugbetaald. In de overeenkomst is opgenomen dat het geen verplichte scholing is in de zin van artikel 7:611a BW. Werknemer is op 13 september 2023 begonnen met de opleiding . Midden september 2024 deelde werkgever mee dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Op 9 oktober 2024 bood werkgever een vaststellingsovereenkomst aan en bevestigde daarbij dat het dienstverband van werknemer eindigde op 31 oktober 2024. Tevens stelde werkgever voor om de eindafrekening van oktober te verrekenen met door hem gestelde studiekosten van € 8.454,04 die werknemer zou moeten terugbetalen. Werknemer gaf op 14 oktober 2024 te kennen geen toestemming te geven om studiekosten met de eindafrekening te verrekenen. Op 15 oktober 2024 liet de gemachtigde van werknemer weten niet met de vaststellingsovereenkomst in te stemmen, omdat de studiekosten bij werkgever moesten blijven. Op 23 oktober 2024 mailde werknemer: ‘Mondeling afgestemd dat het akkoord is van beide kanten dat ik per 31 oktober uit dienst ga’. De beoogde vaststellingsovereenkomst is uiteindelijk niet getekend. In conventie vordert werkgever veroordeling van werknemer tot betaling van € 6.012,07 aan resterende studiekosten (na verrekening van € 2.441,97 met het salaris van oktober 2024). In reconventie vordert werknemer onder meer het (bruto-equivalent van) € 2.441,97 netto aan ten onrechte verrekend loon over oktober 2024 (inclusief vakantiegeld).

Oordeel

De kantonrechter verwerpt het beroep op nietigheid van het studiekostenbeding. Niet is komen vast te staan dat de opleiding verplichte scholing was in de zin van artikel 7:611a BW. Werknemer beschikte over een toereikende mbo-opleiding voor zijn functie en de aangeboden opleiding was niet gekoppeld aan een verbetertraject of noodzakelijke functie-eisen. Dat de opleiding bij aanvang door werkgever is voorgesteld, maakt op zichzelf nog niet dat deze verplicht was. Vervolgens toetst de kantonrechter het studiekostenbeding aan de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) en goed werkgeverschap (art. 7:611 BW), mede in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1983 (glijdende schaal en baatperiode). Hoewel de studiekostenovereenkomst aan de formele voorwaarden van dat arrest voldoet, verhinderen de omstandigheden in deze zaak dat werkgever werknemer aan (volledige) terugbetaling kan houden. Van doorslaggevend gewicht is dat werkgever het initiatief nam om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen en daarmee invloed had op het ontstaan van een terugbetalingsplicht, dat het om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ging, dat het initiatief voor de opleiding in eerste instantie bij werkgever lag en dat werkgever werknemer niet nadrukkelijk en expliciet heeft gewezen op de financiële risico’s van de terugbetalingsverplichting in het geval van niet‑verlenging, terwijl het financiële risico aanzienlijk was gezien het grote verschil tussen de (uiteindelijke) studieschuld van € 8.454,04 en het (aanvankelijke) brutomaandloon van € 840, respectievelijk het laatstverdiende brutoloon van € 2.389,44. Daarbij komt dat in de studieovereenkomst sprake is van € 5.758,30 aan kosten, terwijl werkgever een hoger bedrag vorderde, en dat niet is gebleken dat werknemer zich onvoldoende heeft ingespannen voor de studie of tussentijds is gewaarschuwd voor terugbetalingsrisico’s toen examens uitbleven. Daarom wijst de kantonrechter de vorderingen van werkgever in conventie af. In reconventie wordt het ingehouden loon over oktober 2024 (inclusief vakantiegeld) toegewezen, omdat geen rechtsgrond bestond voor verrekening nu de studiekostenvordering niet toewijsbaar is.