Naar boven ↑

Rechtspraak

Londen Van Holland Registeraccountants en Belastingadviseurs/werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 2 februari 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:618

Londen Van Holland Registeraccountants en Belastingadviseurs/werknemer

Accountants- en belastingadvieskantoor heeft onvoldoende belang bij instandhouding relatiebeding ten aanzien van een voormalige klant.

L&vH is een middelgroot accountants- en belastingadvieskantoor. Werknemer is op 1 februari 2007 in dienst getreden als accountantmedewerker. In de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudings- en relatiebeding opgenomen. Op 23 oktober 2013 heeft werknemer L&vH te kennen gegeven het dienstverband met L&vH te willen opzeggen om als zelfstandige werkzaamheden te gaan verrichten op het gebied van online managementinformatiesystemen en online financiële administratie. Werknemer heeft L&vH verzocht hem te ontheffen van het relatiebeding ten aanzien van de besloten vennootschap X. X was toen al een aantal jaren cliënt van L&vH, waarvoor deze de accountantscontrole deed. L&vH heeft voor de controlewerkzaamheden in 2013 aan X een bedrag geoffreerd van (ongeveer) € 25.000. Op 28 november 2013 heeft L&vH de relatie met X telefonisch opgezegd. L&vH heeft werknemer vervolgens meegedeeld dat met X geen overeenstemming was bereikt over de accountantscontrole 2013 en dat het verzoek van werknemer om ontheven te worden van zijn relatiebeding ten aanzien van X werd afgewezen, tenzij hij L&vH een afkoopsom betaalde van € 25.000, zijnde de waarde van de niet door X geaccepteerde offerte. De voorzieningenrechter heeft het relatiebeding van werknemer geschorst. L&vH vordert dat voor recht wordt verklaard dat het relatiebeding rechtsgeldig is. Daarnaast wordt veroordeling van werknemer tot betaling van een boete gevorderd. In reconventie vordert werknemer schorsing van het relatiebeding ten aanzien van X.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling van werknemer, dat het relatiebeding niet ten aanzien van X geldt omdat L&vH en X  hun relatie hadden beëindigd voordat het dienstverband van werknemer was geëindigd, is niet logisch, vloeit taalkundig niet voort uit de tekst en is duidelijk in strijd met de bedoeling van partijen. Illustratief is in dit verband dat werknemer zelf ontheffing van het relatiebeding heeft gevraagd om bij X in dienst te kunnen treden. Het relatiebeding zou bovendien anders ook wel heel eenvoudig buiten werking kunnen worden gesteld, terwijl het doel van het beding is dat de relatie met L&vH door de nieuwe werkgever juist níét wordt opgezegd. Nu het doel van een relatiebeding is, zoals L&vH zelf ook stelt, dat ex-werknemers niet onder de duiven van L&vH schieten, wordt geoordeeld dat L&vH in casu onvoldoende belang heeft bij handhaving van het relatiebeding om het beding – ongewijzigd – in stand te laten, in die zin dat het werknemer verhindert (direct of indirect) voor X werkzaamheden te verrichten. Onvoldoende is komen vast te staan dat werknemer voor X werkzaamheden gaat doen die L&vH zelf ook aanbiedt of heeft aangeboden. Bovendien is ontheffing beperkt tot het werken voor X, terwijl de relatie met X door L&vH zelf reeds beëindigd is. Waar L&vH geen belang heeft, heeft zij ook geen recht. Aldus is werknemer geen boete verschuldigd. De  vorderingen van L&vH in conventie worden afgewezen. Aan de (voorwaardelijke) vordering van werknemer in reconventie wordt derhalve niet toegekomen.