Rechtspraak
X/Enexis B.V.
X is in de periode van 4 januari 2010 tot 1 augustus 2013 via Tempo-Team tewerkgesteld bij Enexis op basis van een uitzendovereenkomst. Enexis is sedert 1 januari 2009 actief als transporteur van gas en elektriciteit. Enexis als opdrachtgever en Energie Register als opdrachtnemer hebben op 30 augustus 2013 een overeenkomst gesloten ten behoeve van de inleen/detachering van X gedurende de periode van 2 september 2013 tot en met 31 december 2013. Daarnaast hebben Energie Register en X afspraken gemaakt omtrent loon en overige arbeidsvoorwaarden. Per 2 september 2013 heeft X via bemiddeling van Energie Register een zogeheten payrollovereenkomst gesloten met EasyStaff dat maandelijks zorg heeft gedragen voor de uitbetaling van het loon aan X en aan hem periodiek loonspecificaties heeft verstrekt. Bij e-mail d.d. 7 juli 2014 heeft Energie Register aan EasyStaff meegedeeld dat de overeenkomst betreffende de inleen van X niet wordt verlengd. X stelt dat hij op grond van artikel 7:668a BW voor onbepaalde tijd in dienst is van Enexis.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Over de payrollconstructie bestaat wisselende rechtspraak. X is de eerste twee jaar door uitzendbureau Tempo-Team uitgeleend aan Enexis. Daarna heeft hij een payrollovereenkomst gesloten met EasyStaff welk bedrijf hem heeft uitgeleend aan Energie Register. Energie Register heeft X op haar beurt doorgeleend aan Enexis. Anders dan te doen gebruikelijk heeft X zijn vordering niet ingesteld tegen Energie Register of EasyStaff, maar tegen Enexis. Alleen de vraag of tussen X en Enexis een arbeidsovereenkomst is ontstaan dient in een voorlopig oordeel te worden beantwoord. Onder verwijzing naar onder andere het arrest Groen/Schoevers (HR 14 november 1997, NJ 1998/149) wordt geoordeeld dat vooralsnog genoegzaam aannemelijk is dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om een arbeidsovereenkomst met elkaar aan te gaan. Zo heeft X gedurende de eerste twee jaar op basis van een uitzendovereenkomst gewerkt voor Enexis, zodat er in het licht van artikel 7:690 BW geen twijfel over kan bestaan dat Tempo-Team en niet Enexis toen als werkgever had te gelden. Na ommekomst van twee jaar hadden partijen het voornemen om hun materiƫle werkrelatie te continueren. Ook toen was het evident dat Enexis in het kader van het door haar gevoerde personeelsbeleid in verband met sterke veranderingen in de markt geen arbeidsovereenkomst met X wenste aan te gaan. Bovendien kon van een geruisloze vervanging van de inleenovereenkomst door een arbeidsovereenkomst ingevolge de heersende jurisprudentie (ABN AMRO/Malhi, HR 5 april 2002) evenmin sprake zijn. Voorts wordt meegewogen dat Enexis niet betrokken is geweest bij de onderhandelingen tussen X en Energie Register, dat de hoogte van het door X ontvangen loon via EasyStaff niet was gebaseerd op het bij Enexis gehanteerde cao-loon en dat X zich met vragen over zijn arbeidsvoorwaarden diende te wenden tot Energie Register en niet tot Enexis. Niet kan worden gezegd dat er een gerede kans bestaat dat de bodemrechter de relatie van partijen zal kwalificeren als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW en de vorderingen van X zal toewijzen. Volgt afwijzing van de vorderingen.
