Rechtspraak
Mustafa/BulgarijeHof van Justitie van de Europese Unie, 18 april 2013
Mustafa/Bulgarije
Mustafa was op grond van een arbeidsovereenkomst van 19 juni 2006 tot en met 20 april 2011 onafgebroken in dienst bij Orfey. Op 2 maart 2010 is de gerechtelijke saneringsprocdure van Orfey ingeschreven in het handelsregister. In het hoofdgeding staat vast dat Mustafa jegens Orfey over opeisbare maar onvervulde aanspraken beschikt uit hoofde van een brutoloon voor april 2011 en een vergoeding voor niet-opgenomen vakantie die eveneens na 2 maart 2010 is ontstaan. Bij een op 16 juni 2011 ingediend verzoek heeft zij het waarborgfonds verzocht om deze aanspraken te honoreren. Deze aanspraken zijn afgewezen, omdat ze zien op aanspraken ontstaan na inschrijving tot sanering. Deze rechterlijke instantie wijst erop dat het hoofdgeding met name betrekking heeft op de vraag of de waarborg zich moet uitstrekken tot aanspraken van een werknemer tegen zijn werkgever die zijn ontstaan na de inschrijving in het handelsregister van de rechterlijke beslissing tot inleiding van de procedure tot gerechtelijke sanering van de werkgever waarbij hij insolvent is verklaard, maar vóór de inschrijving in dat register van de rechterlijke beslissing waarbij de staking van betalingen is vastgesteld en zowel de beëindiging van de activiteiten van de werkgever als de vereffening en verdeling van de goederen van de failliete boedel is bevolen. De verwijzende rechter benadrukt dat het Bulgaarse recht enkel voorziet in een waarborg voor aanspraken van werknemers die zijn ontstaan vóór de datum van inschrijving in het handelsregister van de eerste van die twee rechterlijke beslissingen, en twijfelt over de verenigbaarheid van een dergelijke regeling met Richtlijn 80/987 (thans Richtlijn 2008/94), aangezien bij die beslissing nog niet de ‘staking van betalingen’ wordt vastgesteld en evenmin een einde wordt gemaakt aan de activiteiten van de werkgever.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn eerste en tweede vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of Richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat zij de lidstaten verplicht om te voorzien in waarborgen voor aanspraken van werknemers in elke fase van de insolventieprocedure van hun werkgever en dat zij zich er met name tegen verzet dat de lidstaten enkel voorzien in een waarborg voor aanspraken van werknemers die zijn ontstaan vóór de inschrijving in het handelsregister van de rechterlijke beslissing tot inleiding van de procedure tot gerechtelijke sanering, hoewel bij deze beslissing niet de beëindiging van de activiteiten van de werkgever wordt bevolen. Aan twee voorwaarden moet zijn voldaan opdat de in Richtlijn 2008/94 vastgestelde waarborg toepassing zou vinden. Ten eerste moet zijn verzocht om inleiding van een op de insolventie van de werkgever berustende collectieve procedure en ten tweede moet een beslissing tot inleiding van deze procedure zijn genomen of moet zijn geconstateerd, wanneer er onvoldoende actief is om inleiding van een dergelijke procedure te rechtvaardigen, dat de onderneming definitief is gesloten. Bijgevolg stelt artikel 2 lid 1 van Richtlijn 2008/94 niet als voorwaarde voor de toepasselijkheid van de door deze richtlijn geboden waarborg dat de beëindiging van de activiteiten van de werkgever wordt bevolen. Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat Richtlijn 2008/94 aldus moet worden uitgelegd dat zij de lidstaten niet verplicht om te voorzien in waarborgen voor aanspraken van werknemers in elke fase van de insolventieprocedure tegen hun werkgever. Zij verzet er zich met name niet tegen dat de lidstaten enkel voorzien in een waarborg voor aanspraken van werknemers die zijn ontstaan vóór de inschrijving in het handelsregister van de rechterlijke beslissing tot inleiding van de gerechtelijke saneringsprocedure, hoewel bij deze beslissing de beëindiging van de activiteiten van de werkgever niet wordt bevolen.
