Wetgeving
Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (34059) en Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (34138)
Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (34059) en Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (34138)ontwikkeling
01-03-2017
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 22 januari 2015. Besluit van 25 januari 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van diverse onderdelen (Stb. 2017/16) van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016, 289), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuurs-procesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht.
Met dit KB wordt digitaal procederen in civiele vorderingszaken bij de Hoge Raad per 1 maart 2017 ingevoerd. Hiermee wordt een aanvang gemaakt met de gefaseerde inwerkingtreding van de wetten en besluiten van het Programma Kwaliteit en Innovatie (KEI). In dat kader zijn vier wetten en drie algemene maatregelen van bestuur tot stand gekomen, waarvan de inwerkingtredingsdatum in dit Besluit is geregeld (met uitzondering van de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen (Stb. 2016, 291)). Digitaal procederen bij de Hoge Raad wordt verplicht in vorderingszaken die op of na 1 maart 2017 bij de Hoge Raad aanhangig worden gemaakt. Ten aanzien van een dagvaarding die vóór 1 maart 2017 rechtsgeldig is betekend, blijft het procesrecht van toepassing zoals dat voor 1 maart 2017 geldt. Wanneer de Hoge Raad een na 1 maart 2017 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte zaak verwijst naar een andere instantie, zal de voortzetting van de procedure volgens de papieren weg plaatsvinden zolang digitaal procederen bij die desbetreffende instantie nog niet is ingevoerd.
in werking
05-08-2016
In werking getreden wetsvoorstel
Ingediend bij TK op 22 januari 2015. Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016/288). Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Stb. 2016/289). De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Wet van 13 juli 2016, houdende aanpassing van wetten in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) (Stb. 2016/290). De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht. Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) (Stb. 2016/293). De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Besluit van 13 juli 2016, houdende aanpassing van het Besluit termijnen Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de invoering van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht en van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie (Aanpassingsrijksbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht) (Stb. 2016/294). Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel IV, onderdeel D, van de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen in werking treedt.
De modernisering van het procesrecht is vastgelegd in drie wetten: procesrecht in eerste aanleg, procesrecht in hoger beroep en cassatie en een Invoeringswet. Modernisering procesrecht in eerste aanleg brengt de volgende veranderingen met zich:
- de verplichting tot het betekenen van de huidige dagvaarding wordt opgeheven;
- er zijn meer wettelijke termijnen voor het verrichten van specifieke processtappen;
- de rechter kan meer regie voeren op het verloop van de procedure;
- het is mogelijk een procedure digitaal te starten en tijdens de procedure digitaal stukken in te dienen bij de rechter;
- de afzonderlijke dagvaarding en het verzoekschrift in civiele zaken worden samengevoegd tot één nieuwe procesinleiding, genaamd het verzoekschrift, waarmee een nieuwe vereenvoudigde basisprocedure start.
- er is één schriftelijke ronde;
- de eiser en de verweerder brengen hun standpunten en bewijsstukken zo veel mogelijk al bij de indiening van de procesinleiding respectievelijk het verweerschrift in het geding;
- er vindt een mondelinge behandeling plaats;
- de rechter kan mondeling of schriftelijk uitspraak doen na de mondelinge behandeling.
- de wijziging van de procedure in eerste aanleg wordt zoveel mogelijk overgenomen voor hoger beroep en cassatie;
- er komt in hoger beroep één inleidend document, het hoger beroepschrift;
- de twee conclusieregel voor hoger beroep blijft ongewijzigd;
- nadat de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan, hebben partijen een termijn van drie maanden om hoger beroep in te stellen;
