Wetgeving
Wijziging van de Wet Huis voor klokkenluiders en enige andere wetten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305) en enige andere wijzigingen (35851)
ontwikkeling
05-01-2023
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 14 december 2022. Amendement van het lid Omtzigt, amendement van het lid Omtzigt, van 14 december 2022. Derde nader gewijzigd amendement van het lid Leijten c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 50.
Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 december 2022. Gewijzigd voorstel van wet van 20 december 2022.
De minister zegt in haar brieven toe:
- dat zij zich gaat inzetten voor de realisatie van een fonds dat ziet op de juridische en psychosociale ondersteuning van klokkenluiders en de daarvoor noodzakelijke maatregelen. Voor de zomer van 2023 zal zij de Kamer nader informeren;
- nader onderzoek te doen naar de uitbreiding van sancties en dit te betrekken bij de voorbereiding van het volgende wetsvoorstel. Daarbij zal ook aandacht worden geschonken aan eisen die gelden bij een bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium.
ontwikkeling
01-12-2022
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
In aanvulling op de voorgestelde wijzigingen in de tweede nota van wijziging, worden in deze derde nota van wijziging wijzigingen voorgesteld in de definitie van het begrip ‘misstand’ en de omschrijving van de preventietaak van het Huis. Ook wordt voorgesteld de mogelijkheid van anoniem melden bij het Huis te beperken tot de onderzoeken naar misstanden.
ontwikkeling
20-10-2022
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Er wordt voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State inzake de tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel (Kamerstuk 35851, nr. 12) waarin voorstellen zijn gedaan tot verdere vereenvoudiging en verbetering van de in het wetsvoorstel voorgestelde bepalingen van de Wet bescherming klokkenluiders.
ontwikkeling
07-07-2022
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
In de tweede nota van wijziging worden voorstellen gedaan tot verdere vereenvoudiging en verbetering van de in het wetsvoorstel voorgestelde bepalingen. Beoogd wordt klokkenluiders meer duidelijkheid te bieden over de processtappen die zij kunnen nemen en de ondersteuning en bescherming die zij kunnen krijgen bij het doen van meldingen ingeval zij een misstand vermoeden. Daartoe worden – naast een aantal technische wijzigingen – de volgende wijzigingen voorgesteld:
- er komt een integrale definitie van misstand. Hiermee wordt duidelijk dat er geen enkel onderscheid is of kan worden gemaakt bij een melding van een misstand of een inbreuk op het Unierecht en de bescherming die daarbij aan de melder wordt geboden;
- er komt een verduidelijking van het begrip benadeling (art. 17da Wbk) en de bepaling waarin het verbod op benadeling wordt geregeld (art. 17e Wbk) wordt opgesplitst in meerdere artikelen (art. 17e, 17ea, 17eb en 17ec Wbk), zodat duidelijker is onder welke voorwaarden openbaarmaking van misstanden mogelijk is en beschermd wordt;
- de beschermingsmaatregelen worden ook op interne onderzoekers van misstanden van toepassing (art. 17ec Wbk);
- artikel 17h, eerste lid, Wbk wordt aangepast om te verduidelijken dat de nietigheid van een zwijgbeding vanwege strijd met de Wet bescherming klokkenluiders geen gevolgen heeft voor zwijgbedingen die zien op andere te beschermen belangen;
- in de wet wordt de kennis- en preventietaak van het Huis opgenomen;
- in de wet wordt de mogelijkheid opgenomen voor klokkenluiders om een verzoek bij het Huis voor klokkenluiders tot onderzoek te laten doen door een vertrouwenspersoon of een advocaat ingeval zij hun identiteit niet bekend willen maken bij het Huis.
ontwikkeling
14-03-2022
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
De minister gaat in op de vraag van de TK om één wetsvoorstel voor de implementatie van de EU-richtlijn en de evaluatie van de Wet Huis voor klokkenluiders in te dienen. De minister wijst op de ingebrekestelling van de Europese Commissie voor deze implementatie. Als Nederland in gebreke blijft, maakt de Europese Commissie in beginsel automatisch de zaak aanhangig bij het Europese Hof van Justitie met mogelijk een forse boete en/of dwangsom tot gevolg.
De minister zegt toe te zullen onderzoeken in hoeverre de voorstellen van het Huis uit de evaluatie in het implementatiewetsvoorstel kunnen worden betrokken. Deze onderwerpen betreffen (1) een onafhankelijk fonds waar melders van misstanden en inbreuken op het Unierecht een beroep op kunnen doen, (2) dwangmiddelen/ het toekennen van bestuursrechtelijke bevoegdheden aan het Huis en (3) wettelijke verankering van de preventietaak van het Huis.
ontwikkeling
12-01-2022
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
De Tweede Kamer heeft kritiek geuit op de complexiteit van het wetsvoorstel en heeft verzocht om meer harmonisering. De complexiteit vloeit volgens de Kamer voort uit
(1) de door de regering gemaakte keuze om de eisen aan de externe meldkanalen bij de bevoegde autoriteiten alleen verplicht te stellen voor meldingen over inbreuken op het Unierecht;
(2) de bescherming bij een melding van een misstand niet te bieden bij meldingen van misstanden die dreigen te ontstaan;
(3) het gescheiden hanteren van de begrippen ‘misstand’ en ‘inbreuk op het Unierecht’;
(4) verwijzingen in de tekst van de bepalingen naar de richtlijn.
Om tegemoet te komen aan deze bezwaren wordt in de nota van wijziging voorgesteld om aan de externe meldkanalen van de bevoegde autoriteiten dezelfde eisen te stellen voor de behandeling van meldingen van vermoedens van misstanden als de eisen die al in het voorstel van wet zijn opgenomen voor de behandeling van meldingen van inbreuken op het Unierecht. Verder wordt de definitie van het begrip ‘misstand’ zodanig aangepast dat ook een gevaar voor een schending van een wettelijk voorschrift waarbij het maatschappelijk belang in het geding is onder de definitie van misstand valt. Hierdoor worden ook meldingen over toekomstige schendingen van een wettelijk voorschrift waarbij het maatschappelijk belang in het geding is beschermd, evenals dat geldt voor meldingen over toekomstige inbreuken op Unierecht. Voor een verdere harmonisering van de definities is de terminologie in de definitie van informatie over een inbreuk zo veel mogelijk gelijkgetrokken met de terminologie in de definitie van vermoeden van een misstand. Ter verdere vereenvoudiging van het wetsvoorstel en de leesbaarheid ervan wordt een definitie van het begrip ‘melding’ geïntroduceerd, waaronder zowel een melding van informatie over een inbreuk op het Unierecht als een melding van een vermoeden van een misstand wordt begrepen. En tot slot worden de verwijzingen naar de richtlijn zo veel mogelijk uitgeschreven.
Tot slot wordt een handhavingsinstrument bij het ontbreken van een intern meldkanaal geïntroduceerd en wordt een specifiek verbod op zwijgbedingen voor klokkenluiders door het bepalen van de nietigheid ervan opgenomen.
wetsvoorstel
21-07-2021
Nieuw wetsvoorstel
De voorziening voor klokkenluiders, het Huis voor klokkenluiders, is op dit moment neergelegd in de Wet Huis voor klokkenluiders (de Wet Huis). Dit geldt ook voor de verplichting voor werkgevers tot het vaststellen van een interne procedure voor het melden van vermoedens van misstanden. De richtlijn vereist voor meldingen van inbreuken op het Unierecht een hoger beschermingsniveau, en stelt eisen aan de meldkanalen bij externe bevoegde autoriteiten. Ook worden meer eisen aan de interne meldkanalen bij werkgevers gesteld. Bij de implementatie van de richtlijn is van de gelegenheid gebruikgemaakt om de eisen die gesteld worden aan voorzieningen voor klokkenluiders en de beschermingsmaatregelen zo veel mogelijk in één wet onder te brengen. Nu de Wet Huis specifiek is gericht op klokkenluiders ligt het voor de hand om het verbod tot benadeling, de overige beschermingsmaatregelen en de plicht tot het instellen van interne en externe meldkanalen bij respectievelijk werkgevers en bevoegde autoriteiten onder te brengen in deze wet. De Wet Huis zal daardoor aanzienlijk meer omvatten dan voorschriften voor de interne meldprocedure en de instelling van het Huis voor klokkenluiders. Als gevolg daarvan wordt voorgesteld de naam van de Wet Huis te wijzigen in Wet bescherming klokkenluiders.
Het wetsvoorstel voorziet in verschillende wijzigingen van de Wet Huis:
- artikel 1 van de Wet Huis, waarin de begripsbepalingen zijn opgenomen, wordt in zijn geheel vervangen. Een aantal definities wordt geschrapt en er worden nieuwe definities opgenomen;
- er komt een nieuw artikel 1a waarin de geheimhoudingsbepaling is opgenomen zodat deze voortaan niet alleen voor meldingen bij het Huis, maar ook bij meldingen aan andere bevoegde autoriteiten of bij werkgevers zal gelden. Ook is het instemmingsvereiste opgenomen voor het bekendmaken van de identiteit van een melder. De definitie van een vermoeden van een misstand blijft inhoudelijk gehandhaafd, met dien verstande dat daaronder niet de (informatie over) inbreuken op het Unierecht worden begrepen. Een misstand en een vermoeden van een misstand worden apart gedefinieerd, evenals een inbreuk op het Unierecht en de informatie daarover;
- in artikel 1c (nieuw) wordt een grondslag opgenomen voor het Huis om bijzondere persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard te mogen verwerken, die onder meer door werkgevers kunnen worden ingebracht;
- in artikel 2 (nieuw) Wet Huis wordt een werkgever bij wie in de regel vijftig personen of meer werkzaam zijn verplicht om een interne procedure vast te stellen voor meldingen van een vermoeden van een misstand en voor meldingen van informatie over inbreuken op het Unierecht en worden de daaraan te stellen eisen uitgewerkt. In het tweede lid zijn de eisen neergelegd waaraan de interne procedure dient te voldoen. Deels gaat het om eisen die al aan de interne procedure voor meldingen van vermoedens van misstanden zijn gesteld. Zo moet de wijze waarop met de interne melding wordt omgegaan, worden vastgelegd (onderdeel a). Verder dient te worden vastgelegd bij welke aangewezen functionaris of functionarissen een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk op het Unierecht kan worden gemeld, en welke functionarissen zorgvuldige opvolging kunnen geven aan die melding (onderdeel c) en dat de werknemer de mogelijkheid heeft om een adviseur in vertrouwen te raadplegen over een vermoeden van een misstand of informatie over een inbreuk op het Unierecht (onderdeel d). De functionaris bij wie een inbreuk kan worden gemeld of die opvolging geeft aan die melding, is onafhankelijk en heeft geen belangen bij conflicten. In kleinere ondernemingen kan de functie van degene bij wie kan worden gemeld, worden uitgeoefend als nevenfunctie van een stafmedewerker die in een goede positie verkeert om direct melding te doen aan het hoofd van de organisatie, zoals een hoofd naleving of personeelszaken, een integriteitsmedewerker, een jurist of privacymedewerker. Ook derden kunnen worden gemachtigd om namens een werkgever meldingen van inbreuken te ontvangen, mits zij passende waarborgen bieden en binnen een concern een deskundige kan worden aangesteld, vergelijkbaar met de privacyfunctionaris. Ook kan een onafhankelijke klokkenluiderscommissie worden ingesteld. Anders dan nu het geval is bij meldingen over een vermoeden van een misstand dient voortaan in de procedure voor het melden van een vermoeden van een misstand en informatie over een inbreuk op het Unierecht ook te worden vastgelegd dat een werknemer binnen zeven dagen na ontvangst van een melding een ontvangstbevestiging krijgt en dient een redelijke termijn te worden vastgelegd (maximaal drie maanden) waarbinnen de werknemer informatie wordt verstrekt over de beoordeling en voor zover van toepassing de opvolging van de melding. Werkgevers die werkzaamheden laten verrichten op het terrein van financiële dienstverlening, vervoer of milieu moeten ongeacht het aantal werknemers een meldkanaal inrichten en een procedure vaststellen. Het vijfde lid bevat de informatieplicht die de werkgever heeft richting de bij hem werkzame personen. Een werkgever dient informatie te verstrekken over zowel de interne meldingsprocedure als over mogelijkheden om een melding van een vermoeden van een misstand en van informatie over inbreuken te doen bij de daartoe bevoegde autoriteiten. De informatie wordt door de werkgever op schriftelijke of elektronische wijze ter beschikking gesteld;
- artikel 2a en 2b (nieuw) voorzien in de plicht van de werkgever (en de daaraan te stellen eisen) om een registratie van de meldingen over een inbreuk van Unierecht die bij hem worden gedaan bij te houden;
- artikel 26, tweede lid, van de richtlijn geeft werkgevers in de private sector met 50 tot 249 werknemers de ruimte om pas vier jaar na inwerkingtreding van de richtlijn te voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het interne meldkanaal voor klokkenluiders. In artikel 21c van de Wet Huis wordt daarom bepaald dat de artikelen 2 tot en met 2b van de Wet Huis, waarin deze eisen aan het interne meldkanaal zijn opgenomen, pas uiterlijk met ingang van 17 december 2023 van toepassing zijn op deze werkgevers in de private sector.
