Wetgeving
Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (PbEU 2019, L 186) (Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden)in werking
07-07-2022
In werking getreden wetsvoorstel
Onderstaand een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.
Artikel 7:611a BW:
- lid 2: scholing die de werkgever verplicht moet aanbieden op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationaal recht, een collectieve arbeidsovereenkomst, of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan is voor de werknemer kosteloos en wordt als werktijd beschouwd. Alle kosten die de werknemer moet maken in verband met het volgen van de scholing, zijn voor rekening van de werkgever (bijvoorbeeld reiskosten, boeken en ander studiemateriaal, examengelden);
- lid 4: een studiekostenbeding waarbij de kosten voor de verplichte scholing uiteindelijk ten laste van de werknemer komen, is nietig. Dit geldt zowel voor bestaande overeenkomsten (door de onmiddellijke werking) als voor overeenkomsten die worden gesloten na inwerkingtreding van de wet. Ook een verrekenbeding is nietig;
- lid 5: de werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer de in dit artikel genoemde rechten geldend maakt.
Artikel 7:628b BW:
- als het merendeel van de uren, waarop arbeid moet worden verricht, onvoorspelbaar is, moet de werkgever rekening houden met het feit dat de werknemer de arbeid mag weigeren te verrichten als deze valt buiten de overeengekomen referentiedagen en referentie-uren. Deze referentiedagen en -uren zijn bij aanvang van de arbeidsovereenkomst verstrekt op grond van artikel 7:655 lid 1 onder 2° BW. Buiten deze referentiedagen kan de werknemer niet verplicht worden om arbeid te verrichten;
- de werknemer mag de arbeid weigeren te verrichten als de werkgever kort voorafgaand aan de arbeid het verzoek doet tot het verrichten ervan. In de meeste gevallen geldt dat het verzoek ten minste vier dagen van tevoren moet zijn gedaan. Bij cao kan deze termijn worden bekort.
Artikel 7:653a BW:
- lid 1: de werkgever mag de werknemer niet verhinderen werkzaamheden elders te verrichten, tenzij de werkgever daarvoor een rechtvaardigingsgrond heeft zoals het beschermen van zijn bedrijfsgeheimen, de integriteit van overheidsdiensten of het voorkomen van belangconflicten. Het overeenkomen van een nevenwerkzaamhedenbeding waarvoor geen objectieve reden is gegeven, is nietig. Als de rechtvaardiging niet in het beding is opgenomen, kan de werkgever bij het inroepen van het beding de objectieve reden van de rechtvaardiging alsnog geven. Bestaande bedingen waarin de objectieve rechtvaardiging niet is opgenomen, kunnen op deze wijze in stand blijven bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel;
- lid 2: de werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer de in dit artikel genoemde rechten geldend maakt.
Artikel 7:655 BW:
De in de richtlijn voorgestelde uitgebreidere lijst van essentiële aspecten van de arbeidsovereenkomst wordt geïmplementeerd in artikel 7:655 BW:
- als de arbeid niet op een vaste plaats of niet hoofdzakelijk op een vaste plaats wordt verricht, dan vermeldt de werkgever dat de werknemer vrij is zijn arbeidsplaatsen zelf te bepalen of dat de werknemer zijn arbeid op verschillende plaatsen zal verrichten;
- vermeld moet worden welke vormen van vakantie en verlof kunnen worden genoten met behoud van loon;
- de procedure, met inbegrip van de vereisten en de opzegtermijnen, die de werkgever en de werknemer in acht moeten nemen indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd (verwijzing mogelijk naar titel 7.10 BW of cao);
- afzonderlijke bestanddelen van het loon moeten worden benoemd (bonus, toeslagen enz.);
- als de arbeidsduur voorspelbaar is: de duur van de normale dagelijkse of wekelijkse arbeidstijd, het loon en daarop van toepassing zijnde regelingen;
- als de arbeidsduur onvoorspelbaar is: dagen en uren waarop de werknemer kan worden verplicht om arbeid te verrichten en vermelding dat de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht variabel zijn, het aantal gewaarborgde betaalde uren en het loon voor arbeid verricht boven op die gewaarborgde uren;
- als de arbeid voor een periode gelijk aan of korter dan vier weken in het buitenland wordt verricht, krijgt de werknemer de daarmee samenhangende relevante informatie;
- in geval van een uitzendovereenkomst wordt de identiteit van de inlenende onderneming bekend gemaakt;
- de duur en voorwaarden van de proeftijd (verwijzing mogelijk naar titel 7.10 BW of cao);
- het door de werkgever geboden recht op scholing.
Artikel 7:670 BW:
- lid 9: de werkgever kan niet opzeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer zich beroept op artikel 7:611a lid 2 en 4, 7:628b, 7:653a lid 1, 7:655 BW, artikel 2b Wfw, artikel 3 lid 2 en 3 WagWeu.
Wfw:
- in een nieuw artikel 2b worden verzoeken om een vorm van arbeid met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden toegevoegd en de daarbij behorende voorwaarden. Beoogd wordt de wet met ingang van 1 augustus 2022 in werking te laten treden.
In de memorie van antwoord wordt nader ingegaan op de volgende onderwerpen:
Artikel 7:611a BW:
- de richtlijn regelt dat scholing die de werkgever op grond van de wet verplicht moet verstrekken kosteloos moet worden aangeboden. Dat geldt dus ook voor scholing die valt onder artikel 7:611a (eerste lid) BW. Opleidingen die op grond van artikel 7:611a BW ook nu al door de werkgever moeten worden verstrekt, moeten kosteloos verstrekt worden. Het betreft namelijk een bij wet door de werkgever verplicht te verstrekken opleiding. Het gaat om opleidingen die noodzakelijk zijn voor het kunnen (blijven) uitvoeren van de functie. (…) Onder artikel 7:611a BW valt in beginsel niet ook de scholing die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een diploma of certificaat waarover de werknemer bij eerste aanvang van de werkzaamheden al dient te beschikken om op grond van een wettelijke bepaling een functie te mogen uitvoeren. De omstandigheden van het geval bepalen of daarvan sprake is of niet.
Artikel 7:655 BW:
- lid 1 sub g: de werkgever kan ten aanzien van procedures met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verwijzen naar de toepasselijke regelgeving in de cao en de toepasselijke wetgeving. Voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betekent dat, dat volstaan kan worden met verwijzing naar de regels die zijn opgenomen in titel 7.10 van het BW, eventueel met een verwijzing naar de specifieke regels ten aanzien van de opzegging dan wel ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De ontslaggronden hoeven niet te worden opgenomen;
- lid 1 sub q: de werkgever kan indien van toepassing, met betrekking tot de duur en de voorwaarden van de proeftijd, verwijzen naar de toepasselijke regelgeving in de cao. Indien er geen cao van toepassing is kan worden verwezen naar de regels die zijn opgenomen in titel 7.10 van het BW, eventueel met een verwijzing naar de specifieke regels met betrekking tot de proeftijd.
Artikel 7:653a BW:
- bij een objectieve rechtvaardigingsgrond moet getoetst worden of het verbieden van de nevenwerkzaamheden doelmatig (passend en geschikt) en noodzakelijk (proportioneel) is om het zwaarwegend belang van de werkgever te beschermen. Daarbij worden– anders dan bij het lichtere criterium ‘zwaarwegend bedrijfsbelang’ – ook de belangen van de werknemer meegewogen. Beoordeeld moet worden of het belang van de werkgever dusdanig is dat het belang van de werknemer om elders te kunnen werken daarvoor moet wijken.
ontwikkeling
09-02-2022
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Aan het eerste lid van artikel 2b van de Wet flexibel werken wordt toegevoegd dat de werknemer een verzoek om een vorm van arbeid met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden schriftelijk bij de werkgever moet indienen. Het woord ‘schriftelijk’ wordt toegevoegd om de bepaling in lijn te brengen met andere verzoeken die op grond van de Wet flexibel werken eveneens schriftelijk (mede inhoudende langs elektronische weg) moeten worden gedaan.
wetsvoorstel
01-12-2021
Nieuw wetsvoorstel
De richtlijn heeft tot doel de arbeidsvoorwaarden te verbeteren door transparantere en beter voorspelbare arbeidsvoorwaarden te bevorderen en gelijktijdig te zorgen voor aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt. Onderstaand zijn de meest relevante wijzigingen opgenomen.
BW
Artikel 7:611a:
- lid 3: scholing die de werkgever verplicht moet aanbieden is voor de werknemer kosteloos en wordt als werktijd beschouwd. Alle kosten die de werknemer moet maken in verband met het volgen van de scholing, zijn voor rekening van de werkgever (bijvoorbeeld reiskosten, boeken en ander studiemateriaal, examengelden). Als het mogelijk is, moet deze scholing ook onder werktijd worden aangeboden;
- lid 4: een studiekostenbeding, waarbij de kosten voor de verplichte scholing uiteindelijk ten laste van de werknemer komen, is nietig. Dit geldt zowel voor bestaande overeenkomsten (door de onmiddellijke werking) als voor overeenkomsten die worden gesloten na inwerkingtreding van de wet. Ook een verrekenbeding is nietig;
- lid 5: de werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer de in dit artikel genoemde rechten geldend maakt.
Artikel 7:628b:
- als het merendeel van de uren waarop arbeid moet worden verricht, onvoorspelbaar is, moet de werkgever rekening houden met het feit dat de werknemer de arbeid mag weigeren te verrichten als deze valt buiten de overeengekomen referentiedagen en referentie-uren. Deze referentiedagen en -uren zijn bij aanvang van de arbeidsovereenkomst verstrekt op grond van artikel 7:655 lid 1 onder 2° BW. Buiten deze referentiedagen kan de werknemer niet verplicht worden om arbeid te verrichten;
- de werknemer mag de arbeid weigeren te verrichten als de werkgever kort voorafgaand aan de arbeid het verzoek doet tot het verrichten ervan. In de meeste gevallen geldt dat het verzoek ten minste vier dagen van tevoren moet zijn gedaan. Bij cao kan deze termijn worden bekort.
Artikel 7:653a:
- lid 1: de werkgever mag de werknemer niet verhinderen werkzaamheden elders te verrichten, tenzij de werkgever daarvoor een rechtvaardigingsgrond heeft zoals het beschermen van zijn bedrijfsgeheimen, de integriteit van overheidsdiensten of het voorkomen van belangconflicten. Het overeenkomen van een nevenwerkzaamhedenbeding waarvoor geen objectieve reden is gegeven, is nietig. Als de rechtvaardiging niet in het beding is opgenomen, kan de werkgever bij het inroepen van het beding de objectieve reden van de rechtvaardiging alsnog geven. Bestaande bedingen waarin de objectieve rechtvaardiging niet is opgenomen, kunnen op deze wijze in stand blijven bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel;
- lid 2: de werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer de in dit artikel genoemde rechten geldend maakt.
Artikel 7:655:
- de in de richtlijn voorgestelde uitgebreidere lijst van essentiële aspecten van de arbeidsovereenkomst wordt geïmplementeerd in artikel 655 lid 1:
- als de arbeid niet op een vaste plaats of niet hoofdzakelijk op een vaste plaats wordt verricht, dan vermeldt de werkgever dat de werknemer vrij is zijn arbeidsplaatsen zelf te bepalen of dat de werknemer zijn arbeid op verschillende plaatsen zal verrichten;
- in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moet de duur of de einddatum worden genoemd;
- vermeld moet worden welke vormen van vakantie en verlof kunnen worden genoten met behoud van loon;
- afzonderlijke bestanddelen van het loon moeten worden benoemd (bonus, toeslagen enz.);
- tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht;
- als de arbeid voor een periode gelijk aan of korter dan vier weken in het buitenland wordt verricht, krijgt de werknemer de daarmee samenhangende relevante informatie;
- in geval van een uitzendovereenkomst wordt de identiteit van de inlenende onderneming bekendgemaakt;
- de duur en voorwaarden van de proeftijd;
- het door de werkgever geboden recht op scholing;
- voor zover de werkgever hiervoor verantwoordelijk is, de identiteit van de socialezekerheidsinstellingen die de sociale bijdragen in het kader van de arbeidsrelatie ontvangen.
- lid 2: de verstrekking van gegevens kan ook plaatsvinden door te verwijzen naar de collectieve arbeidsovereenkomst of regeling;
- lid 3: wijzigingen van de in lid 1 genoemde aspecten worden zo snel mogelijk maar uiterlijk op de dag waarop de wijziging van kracht wordt bekendgemaakt;
- lid 7: verstrekking van de informatie in elektronische vorm is slechts mogelijk wanneer de werkgever een bewijs van overdracht of ontvangst bewaart.
Artikel 7:670:
- lid 9: de werkgever kan niet opzeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer zich beroept op artikel 611a lid 2 en 4, 628b, 653a lid 1, 655, 2b Wfw , lid 2 en 3 van de WagWeu.
Wfw
- In een nieuw artikel 2b worden verzoeken om een vorm van arbeid met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden toegevoegd en de daarbij behorende voorwaarden. Beoogd wordt de wet met ingang van 1 augustus 2022 in werking te laten treden.
