Wetgeving
Verzamelwet SZW 2015
Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sportin werking
24-09-2015
In werking getreden wetsvoorstel
Ingediend bij de tweede Kamer op 16 juli 2014. Amendement van het lid Ulenbelt c.s. van 5 november 2014, Amendement van het lid Vermeij van 6 november 2014, gewijzigd Amendement van het lid Van Weyenberg van 6 november 2014. Brief van de Minister en Staatssecretaris van SZW van 11 november 2014. Gewijzigd Voorstel van wet van 13 november 2014 en Eindverslag van 18 november 2014. Wet van 26 november 2014 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet SZW 2015). Besluit van 10 december 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet 2015. De artikelen van de Verzamelwet SZW 2015 treden, met uitzondering van de artikelen II, onderdelen A, onder 2 en 3, B, C en E, IVA, V, VI, onderdelen A, onder 1, B, C, Cb tot en met S en U, VIA, onderdeel A, VIC, IXA, onderdeel B, X, onderdeel A, XI, onderdelen A, C, onder 1, Ca, onder 1 en 2, D, G, J, Ja, L, M, N, O, Q, R, S, T, U en V, XIV, onderdeel B, XV, onderdeel Ea, XVI, onderdeel Aa, XVII, onderdelen 00A, 0A, Aa, Ab, Da, Db, Dc en Ea, XVIII, onderdeel A, XIX, onderdeel A, XXI, XXIV, onderdelen Ab, E0a en E00a, XXXI, onderdeel 0A, XXXIII, onderdelen 000Aa, 00A, C, E en Ea, XXXVA en XXXVI, onderdelen A, Aa, B, Ea en F, in werking met ingang van 1 januari 2015, met dien verstande dat: a. artikel IX, onderdeel H0a, terugwerkt tot en met 18 oktober 2014; b. de artikelen XI, onderdelen F en K, XIV, onderdeel A, en XXX, onderdeel F, onder 1 terugwerken tot en met 1 januari 2013; c. artikel XXX, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 januari 2014; d. de artikelen XIV, onderdeel D, XVII, onderdelen A, onder 2, en E, XX, onderdeel B, en XXII, onder 2, terugwerken tot en met 1 januari 2014. 2. Artikel II, onderdeel E, treedt in werking met ingang van 2 januari 2015 en werkt terug tot en met 1 oktober 2013. 3. Artikel II, onderdelen A, onder 2 en 3, en B, treedt in werking met ingang van 1 april 2015. 4. Artikel V treedt in werking met ingang van 1 juni 2015. 5. De artikelen II, onderdeel C, VI, onderdelen B, C, Cb tot en met S en U, VIA, onderdeel A, VIC, XI, onderdelen A, C, onder 1, Ca, onder 1 en 2, D, G, J, L, R en S, XIV, onderdeel B, XV, onderdeel Ea, XVI, onderdeel Aa, XVIII, onderdeel A, XIX, onderdeel A, XXI, XXIV, onderdeel E00a, XXXVA en XXXVI, onderdelen A en B, treden in werking met ingang van 1 juli 2015. 6. De artikelen XI, onderdelen Ja, N, O, Q en U, XVII, onderdelen 00A, 0A, Aa, Ab, Da, onder 2, Db, Dc, Ea, en XXXIII, onderdelen 00A, C, E en Ea, treden in werking met ingang van 1 januari 2016.
– artikel 7:628
lid 1: de tekstuele wijziging verduidelijkt dat als er sprake is van het gedeeltelijk niet verrichten van de bedongen arbeid door de werknemer wegens een oorzaak die voor rekening van deze werknemer behoort te komen, er nog wel sprake is van een gedeeltelijke loondoorbetalingverplichting rustend op de werkgever (te weten met betrekking tot dat deel van de bedongen arbeid dat wel is verricht);
lid 9: omdat artikel 7:628 is opgesteld met het oogmerk om het belang van de werknemer te beschermen wordt in lid 9 opgenomen dat ‘afwijken ten nadele van de werknemer nietig is’. Er mag dus wel ten voordele van de werknemer worden afgeweken;
– artikel 7:648
het begrip ‘schadeplichtig’ is geschrapt;
– artikel 7:667
lid 4: verduidelijkt is dat de in artikel 667 vervatte ‘Ragetlie-regel’ ook van toepassing is als er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die direct aansluit op de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die anders dan door opzegging of ontbinding is geëindigd (dus zonder dat er sprake is van een tussenpoos). Voorts wordt voorgesteld in het vierde en vijfde lid om ‘voortgezet’ telkens te vervangen door ‘opgevolgd’ om daarmee aan te sluiten bij de formulering van artikel 7:668a, eerste lid, onderdeel a. Voorts is een verwijzing opgenomen naar artikel 40 FW omdat ook bij een opzegging door de curator bij een faillissement en bij opzegging door de bewindvoerder bij schuldsanering sprake is van een rechtsgeldige opzegging;
lid 5: aangesloten wordt bij de in artikel 7:668a opgenomen definitie van ‘opvolgend werkgever’;
– artikel 7:668
lid 3: het ‘in geld vastgestelde loon’ wordt vervangen door ‘loon’;
lid 6 (nieuw): bij of krachtens AMvB zal worden bepaald wat onder loon wordt verstaan;
– artikel 7:668a
lid 9: de mogelijkheid wordt gecreëerd om bij cao af te wijken van de ketenbepaling voor bepaalde arbeidsovereenkomsten die uitsluitend of overwegend zijn aangegaan voor educatie;
– artikel 7:670
lid 1: om te verduidelijken dat geen wijziging is beoogd ten aanzien van de regeling, zoals deze nu geldt, wordt ‘het verzoek’ in artikel 7:670, eerste lid, onderdeel b, vervangen door ‘een verzoek’. Het gaat erom dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt als de ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid wegens ziekte een aanvang heeft genomen nadat een verzoek als bedoeld in artikel 7:671a door het UWV (of de commissie) is ontvangen;
– artikel 7:670a
de tekst van dit artikel is verduidelijkt door te verwijzen naar de verplichtingen op grond van artikel 7:668a BW en de waarschuwingsplicht van artikel 7:629 lid 7. De werkgever moet eerst de werknemer in kennis stellen van het feit dat het loon niet zal worden betaald wegens het niet nakomen van een verplichting. De werkgever kan daar niet mee wachten totdat de werknemer daar bij het gebruikelijke moment van loonbetaling mee wordt geconfronteerd. Als de werknemer, nadat de werkgever hem daartoe schriftelijk gemaand heeft, of nadat de loondoorbetaling is gestaakt, alsnog, binnen een redelijke termijn, de verplichtingen die uit artikel 7:660a voortvloeien nakomt, is niet meer aan de vereisten voldaan;
– artikel 7:670b
lid 4: het recht om de beëindigingsovereenkomst te ontbinden binnen veertien dagen of de instemming te herroepen geldt ook niet als de arbeidsovereenkomst eindigt door middel van een beëindigingovereenkomst en de werknemer in de voorafgaande periode van zes maanden gebruik maakte van de mogelijkheid om zijn instemming met de opzegging van de arbeidsovereenkomst te herroepen;
– artikel 7:671
lid 5: het recht om de beëindigingsovereenkomst te ontbinden binnen veertien dagen of de instemming te herroepen geldt ook niet als de arbeidsovereenkomst eindigt door middel van een beëindigingovereenkomst en de werknemer in de voorafgaande periode van zes maanden gebruik maakte van de mogelijkheid om zijn instemming met de opzegging van de arbeidsovereenkomst te herroepen;
– artikel 7:671a
lid 7: de mogelijkheid wordt gecreëerd om in een ministeriële regeling te bepalen wat in lid 5 mede onder ‘werkgever’ kan worden verstaan. Dit biedt de mogelijkheid om te bewerkstelligen dat de bescherming tegen ontslag van werknemers die via een payrollbedrijf werkzaam zijn bij een werkgever niet afwijkt van de bescherming van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij die werkgever. Op deze manier wordt een delegatiebepaling in de WMCO opgenomen op grond waarvan payrollwerknemers gelijk gesteld zullen worden met werknemers die in dienst zijn bij een werkgever, waarmee het omzeilen van de voorschriften van de WMCO ongedaan wordt gemaakt;
lid 10: het wordt mogelijk gemaakt om bij ministeriële regeling regels te stellen met betrekking tot de commissie, bedoeld in lid 2 van artikel 7:671a en de procedure die deze commissie hanteert bij het verlenen van toestemming;
– artikel 7:671b
lid 5 onderdeel b: het overleggen van een deskundigenoordeel kan niet van de werkgever worden verlangd als dit in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd;
lid 8 onderdeel a: de formulering is aangepast om te bewerkstelligen dat de periode die in mindering gebracht kan worden, dient aan te vangen op de dag waarop het verzoek is ontvangen. Ook de dag van de afgifte van de ontbindingsbeschikking en de beslissing op het verzoek tellen mee voor deze periode. Ook is geregeld dat als het UWV geen toestemming verleent maar de kantonrechter ontbindt later de arbeidsovereenkomst, de proceduretijd niet tweemaal in mindering kan worden gebracht;
lid 9 onderdeel b: is aangepast om beter tot uitdrukking te brengen dat sprake is van de billijke additionele vergoeding die een rechter alleen kan toekennen als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever. Voorts wordt voorgesteld om een nieuw lid op te nemen in artikel 7:671b, waarmee wordt bewerkstelligd dat ook een beding waarin de bevoegdheid van de werkgever wordt uitgesloten of beperkt nietig is;
– artikel 7:671c
om beter tot uitdrukking te brengen dat er in het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, van artikel 7:671c sprake is van de billijke additionele vergoeding die een rechter alleen kan toekennen als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever, wordt een andere redactie voorgesteld;
– artikel 7:672
lid 4: de formulering is aangepast om te bewerkstelligen dat de periode die in mindering gebracht kan worden, dient aan te vangen op de dag waarop het verzoek is ontvangen. Ook de dag van de afgifte van de ontbindingsbeschikking en de beslissing op het verzoek tellen mee voor deze periode. Ook is geregeld dat als het UWV geen toestemming verleent maar de kantonrechter ontbindt later de arbeidsovereenkomst, de proceduretijd niet tweemaal in mindering kan worden gebracht;
– artikel 7:673
lid 2 : het ‘in geld vastgestelde loon’ wordt vervangen door ‘loon’. Bij of krachtens AMvB zal worden bepaald wat onder loon wordt verstaan, waarbij aangehaakt zal worden bij het begrip loon zoals dat in het kader van de kantonrechtersformule wordt gehanteerd;
lid 5 wordt in die zin verduidelijkt dat de totale transitievergoeding moet worden afgetrokken, dus inclusief de eventuele aftrek die heeft plaatsgevonden voor gemaakte kosten;
– artikel 7:673a
lid 1: het ‘in geld vastgestelde loon’ wordt vervangen door ‘loon’. Bij of krachtens AMvB zal worden bepaald wat onder loon wordt verstaan, waarbij aangehaakt zal worden bij het begrip loon zoals dat in het kader van de kantonrechtersformule wordt gehanteerd;
– artikel 7:681
lid 1 onderdeel c: omdat de wederindiensttredingsvoorwaarde ook geldt als er sprake is van het inhuren van een zelfstandige wordt ‘in dienst nemen’ vervangen door het neutralere ‘werkzaamheden laten verrichten’. De periode van 26 weken waarin de wederindiensttredingsvoorwaarde van toepassing is, vangt aan na de dag waarop de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd;
– artikel 7:683
lid 2: aangezien het ook mogelijk moet zijn dat de werknemer hoger beroep aantekent of in cassatie gaat wegens het niet toekennen van een vergoeding, is de zinsnede ‘daarbij door de rechter toegekende’ geschrapt;
– artikel 7:685 vervalt;
– artikel 7:686a
lid 3: een verzoekende partij kan verschillende vorderingen in één verzoekschrift aanhangig maken. Door de voorgestelde aanpassing in de formulering wordt duidelijk gemaakt dat hiermee niet is beoogd om een verzoeker te verplichten dergelijke aanverwante vorderingen gezamenlijk in te dienen met een verzoekschrift. Hij kan er ook voor kiezen om wel een aparte procedure te starten. Om er geen twijfel over te laten bestaan dat een werknemer binnen twee maanden na het moment waarop de arbeidsovereenkomst waarop de aanzegtermijn betrekking had is geëindigd een beroep moet doen op deze bepaling is de verwijzing naar artikel 7:668, derde lid, in een apart onderdeel e van artikel 7:686a, vierde lid, opgenomen. Het voorgestelde onderdeel e regelt dat op de dag waarop de aanzegplicht van toepassing wordt, dat is een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst, een termijn van drie maanden gaat lopen;
lid 4: er is een onderdeel d toegevoegd, waarin is geregeld dat de werkgever binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen is geweigerd een verzoek bij de kantonrechter moet indienen om de arbeidsovereenkomst alsnog te ontbinden;
lid 9: de relatieve bevoegdheidsregel is opgenomen waardoor naast de rechter van de woonplaats van de verweerder ook de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht bevoegd is;
lid 10: de rechter heeft de bevoegdheid om met een ontbindingsverzoek op grond van met artikel 7:671b en 7:671c ‘verband houdende vorderingen’ toch (deels) niet in samenhang te beoordelen maar te splitsen. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als een gezamenlijke behandeling van ontbindingsverzoek en daarmee verband houdende vorderingen, naar het oordeel van de rechter, een onevenredige vertraging van de ontbindingsprocedure zou opleveren.
ontwikkeling
24-09-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 16 juli 2014. Tweede Nota van verbetering van 18 september 2014 en tweede Nota van wijziging van 22 september 2014. Brief van de Minister van SZW van 29 september 2014 en Brief van de Minister van SZW van 3 oktober 2014. Derde Nota van wijziging van 6 oktober 2014 en Brief van de Minister van SZW van 13 oktober 2014. Nota naar aanleiding van het verslag en vierde Nota van wijziging van 15 oktober 2014. Brief van de Minister van SZW van 27 oktober 2014 en vijfde Nota van wijziging van 28 oktober 2014.
– In artikel 7: 671a lid 7 wordt de mogelijkheid gecreëerd om in een ministeriële regeling te bepalen wat in lid 5 mede onder ‘werkgever’ kan worden verstaan. Dit biedt de mogelijkheid om te bewerkstelligen dat de bescherming tegen ontslag van werknemers die via een payrollbedrijf werkzaam zijn bij een werkgever niet afwijkt van de bescherming van werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij die werkgever. Op deze manier wordt een delegatiebepaling in de WMCO opgenomen op grond waarvan payrollwerknemers gelijk gesteld zullen worden met werknemers die in dienst zijn bij een werkgever, waarmee het omzeilen van de voorschriften van de WMCO ongedaan wordt gemaakt.
– In artikel XXII lid 6 van de WWZ is een overgangsregeling opgenomen voor de transitievergoeding, met als doel om dubbele betalingen te voorkomen. Op grond van afspraken in bijvoorbeeld een sociaal plan of afspraken met een individuele werknemer, kan de werkgever gehouden zijn om bij het einde van de arbeidsovereenkomst een vergoeding te betalen of bepaalde voorzieningen zoals een outplacementtraject aan te bieden. Aangezien de werkgever per 1 juli 2015 ook een transitievergoeding verschuldigd is, is in artikel XXII lid 6 van de WWZ bepaald dat vergoedingen die de werkgever verschuldigd is op grond van afspraken die zijn gemaakt vóór 1 juli 2015 en opeisbaar zijn ná 1 juli 2015, tijdelijk in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding. Omdat dergelijke afspraken niet altijd op geld gewaardeerd kunnen worden, kan bij of krachtens AMvB bepaald worden dat de transitievergoeding tijdelijk geheel of gedeeltelijk niet verschuldigd is wanneer de werkgever is gebonden aan afspraken die voor 1 juli 2015 zijn gemaakt over vergoedingen of voorzieningen waar de werknemer wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht op heeft.
– In de ZW is een bepaling opgenomen dat bij nawerking op grond van de WW het ziekengeld wordt vastgesteld overeenkomstig de WW-systematiek.
– Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat voor het vaststellen van de aanspraak op een transitievergoeding van een uitzendkracht de duur van de uitzendovereenkomst bepalend is en niet het aantal feitelijk gewerkte uren.
– Afwijkende afspraken in een cao op grond van het huidige artikel 7:652 lid 6 BW, inclusief afwijkende afspraken over de proeftijd, worden gedurende maximaal 18 maanden gerespecteerd.
ontwikkeling
24-09-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 16 juli 2014. Nota van verbetering van 21 augustus 2014, Nota van wijziging van 1 september 2014. Amendementen van 9 september 2014. Tweede nota van verbetering van 18 september 2014.
In de nota van wijziging worden de volgende wijzigingen voorgesteld:
– artikel 7:628 lid 9: artikel 7:628 is opgesteld met het oogmerk om het belang van de werknemer te beschermen. Om die reden mag er ten voordele van de werknemer worden afgeweken van dit artikel. Om die reden wordt lid 9 als volgt aangepast ‘afwijken ten nadele van de werknemer is nietig’;
– artikel 7:667 lid 4: er wordt een verwijzing opgenomen naar artikel 40 FW omdat ook bij een opzegging door de curator bij een faillissement en bij opzegging door de bewindvoerder bij schuldsanering sprake is van een rechtsgeldige opzegging;
– artikel 7:668 lid 3: het ‘in geld vastgestelde loon’ wordt vervangen door ‘loon’. Bij of krachtens AMvB zal worden bepaald wat onder loon wordt verstaan;
– artikel 7:668a lid 9: de mogelijkheid wordt gecreëerd om bij cao af te wijken van de ketenbepaling voor bepaalde arbeidsovereenkomsten die uitsluitend of overwegend zijn aangegaan voor educatie;
– artikel 7:670b lid 4 en 7:671 lid 5: in deze onderdelen wordt geregeld dat het recht om de beëindigingsovereenkomst te ontbinden binnen veertien dagen of de instemming te herroepen ook niet geldt als de arbeidsovereenkomst eindigt door middel van een beëindigingovereenkomst en de werknemer in de voorafgaande periode van zes maanden gebruik maakte van de mogelijkheid om zijn instemming met de opzegging van de arbeidsovereenkomst te herroepen;
– artikel 7:671a lid 10: het wordt mogelijk gemaakt om bij ministeriële regeling regels te stellen met betrekking tot de commissie, bedoeld in lid 2 van artikel 7:671a en de procedure die deze commissie hanteert bij het verlenen van toestemming;
– artikel 7:671b lid 8a en 7:672 lid 4: de formulering is aangepast om te bewerkstelligen dat de periode die in mindering gebracht kan worden, dient aan te vangen op de dag waarop het verzoek is ontvangen. Ook de dag van de afgifte van de ontbindingsbeschikking en de beslissing op het verzoek tellen mee voor deze periode. Ook is geregeld dat als het UWV geen toestemming verleent maar de kantonrechter ontbindt later de arbeidsovereenkomst, de proceduretijd niet tweemaal in mindering kan worden gebracht;
– artikel 7:673 lid 2 en 7:673a: het ‘in geld vastgestelde loon’ wordt vervangen door ‘loon’. Bij of krachtens AMvB zal worden bepaald wat onder loon wordt verstaan, waarbij aangehaakt zal worden bij het begrip loon zoals dat in het kader van de kantonrechtersformule wordt gehanteerd;
– artikel 7:673 lid 5 wordt in die zin verduidelijkt dat de totale transitievergoeding moet worden afgetrokken, dus inclusief de eventuele aftrek die heeft plaatsgevonden voor gemaakte kosten.
wetsvoorstel
24-09-2015
Nieuw wetsvoorstel
Voorstel van wet en Memorie van Toelichting van 18 juli 2014.
– artikel 7:628
De voorgestelde tekstuele wijziging verduidelijkt dat als er sprake is van het gedeeltelijk niet verrichten van de bedongen arbeid door de werknemer wegens een oorzaak die voor rekening van deze werknemer behoort te komen, er nog wel sprake is van een gedeeltelijke loondoorbetalingverplichting rustend op de werkgever (te weten met betrekking tot dat deel van de bedongen arbeid dat wel is verricht).
– artikel 7:648
Het begrip ‘schadeplichtig’ wordt met de inwerkingtreding van de Wwz niet meer gebruikt. Voorgesteld wordt om dit begrip ook in artikel 648 BW te schrappen.
– artikel 7:667
In het vierde lid wordt verduidelijkt dat de in artikel 667 vervatte ‘Ragetlie-regel’ ook van toepassing is als er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die direct aansluit op de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die anders dan door opzegging of ontbinding is geëindigd (dus zonder dat er sprake is van een tussenpoos). Voorts wordt voorgesteld in het vierde en vijfde lid om ‘voortgezet’ telkens te vervangen door ‘opgevolgd’ om daarmee aan te sluiten bij de formulering van artikel 7:668a, eerste lid, onderdeel a. In het vijfde lid wordt eveneens voorgesteld om aan te sluiten bij de in artikel 7:668a opgenomen definitie van ‘opvolgend werkgever’.
– artikel 7:670
Om te verduidelijken dat geen wijziging is beoogd ten aanzien van de regeling, zoals deze nu geldt, wordt ‘het verzoek’ in artikel 7:670, eerste lid, onderdeel b, vervangen door ‘een verzoek’. Het gaat erom dat het opzegverbod tijdens ziekte niet geldt als de ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid wegens ziekte een aanvang heeft genomen nadat een verzoek als bedoeld in artikel 7:671a door het UWV (of de commissie) is ontvangen.
– artikelen 7:670a en 7:671b
Als overgegaan is tot het staken van de betaling van het loon, de daar genoemde vereisten in acht dienen te zijn genomen. Dat betekent dat de werkgever de werknemer direct kennis moet geven van het feit dat het loon niet zal worden betaald wegens het niet nakomen van een verplichting. De werkgever kan daar niet mee wachten totdat de werknemer daar bij het gebruikelijke moment van loonbetaling mee wordt geconfronteerd. Het gaat om het zonder deugdelijke grond niet nakomen van de verplichtingen. Opgemerkt wordt dat aan alle vereisten die in deze artikelen worden genoemd moet zijn voldaan, wil de arbeidsovereenkomst kunnen worden ontbonden wegens het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen door de zieke werknemer. Als de werknemer, nadat de werkgever hem daartoe schriftelijk gemaand heeft, of nadat de loondoorbetaling is gestaakt, alsnog, binnen een redelijke termijn, de verplichtingen die uit artikel 7:660a voortvloeien nakomt, is niet meer aan de vereisten voldaan. Dat kan uiteraard anders liggen als de werknemer eerst gedurende een langere periode blijft weigeren de verplichtingen na te komen. Ten slotte wordt voorgesteld aan artikel 7:671b, vijfde lid, onderdeel b, toe te voegen dat het overleggen van een deskundigenoordeel niet van de werkgever wordt verlangd, als dit in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. Om beter tot uitdrukking te brengen dat er in het geval, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, van artikel 7:671b sprake is van de billijke additionele vergoeding die een rechter alleen kan toekennen als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever, wordt een andere redactie voorgesteld. Voorts wordt voorgesteld om een nieuw lid op te nemen in artikel 7:671b, waarmee wordt bewerkstelligd dat ook een beding waarin de bevoegdheid van de werkgever wordt uitgesloten of beperkt nietig is.
– artikel 7:671c
Om beter tot uitdrukking te brengen dat er in het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, van artikel 7:671csprake is van de billijke additionele vergoeding die een rechter alleen kan toekennen als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever, wordt een andere redactie voorgesteld.
– artikel 7:681
In onderdeel c van het eerste lid van artikel 7:681 is de zogenoemde wederindiensttredingsvoorwaarde opgenomen. Aangezien deze voorwaarde ook geldt als er sprake is van het inhuren van een zelfstandige wordt voorgesteld om ‘in dienst nemen’ te vervangen door het neutralere ‘werkzaamheden laten verrichten’. De periode van 26 weken waarin de wederindiensttredingsvoorwaarde van toepassing is, vangt aan na de dag waarop de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd. Het kan zich voordoen dat de arbeidsovereenkomst wel is opgezegd, maar nog niet is geëindigd. Uiteraard geldt de voorwaarde ook in die situatie.
– artikel 7:683
Als een werknemer om ontbinding verzoekt regelt het tweede lid van artikel 7:683 dat de rechtsstrijd zich in hoger beroep en cassatie dient te beperken tot de hoogte van de bij die ontbinding toegekende vergoedingen. Aangezien het ook mogelijk moet zijn dat de werknemer hoger beroep aantekent of in cassatie gaat wegens het niet toekennen van een vergoeding, wordt voorgesteld om de zinsnede ‘daarbij door de rechter toegekende’ te schrappen in het tweede lid. Artikel 7:686a, zevende lid, biedt de mogelijkheid een verzoek in te trekken als de rechter voornemens niet de door de verzoeker verzochte vergoeding toe te kennen. Dit laat onverlet dat de werknemer er ook voor kan kiezen de rechter de ontbinding wel te laten uitspreken, en het niet toekennen van een vergoeding of het toekennen van een in zijn ogen te lagen vergoeding in hoger beroep aan de orde te stellen.
– artikel 7:686a
Het doel van het derde lid van artikel 7:686a is om een verzoekende partij de mogelijkheid te bieden om vorderingen die verband houden met de geschillen genoemd in het derde lid, in één verzoekschrift aanhangig te maken. Door de voorgestelde aanpassing in de formulering van het derde lid wordt duidelijk gemaakt dat hiermee niet is beoogd om een verzoeker te verplichten dergelijke aanverwante vorderingen gezamenlijk in te dienen met een verzoekschrift. Hij kan er om hem moverende redenen ook voor kiezen om wel een aparte procedure te starten. Ten aanzien van de bevoegdheid om een vergoeding te verzoeken vanwege het schenden van de plicht van de werkgever om een werknemer die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft van zes maanden of langer, was bepaald dat deze zou vervallen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Omdat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd echter kan worden voortgezet, zou het opnemen van artikel 7:668, derde lid, in artikel 7:686a, vierde lid, onderdeel a, onder 1 tot onduidelijkheid kunnen leiden. Om er geen twijfel over te laten bestaan dat een werknemer binnen twee maanden na het moment waarop de arbeidsovereenkomst waarop de aanzegtermijn betrekking had is geëindigd een beroep moet doen op deze bepaling wordt voorgesteld om artikel 7:668, derde lid, in een apart onderdeel e van artikel 7:686a, vierde lid, op te nemen. Het voorgestelde onderdeel e regelt dat op de dag waarop de aanzegplicht van toepassing wordt, dat is een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst, een termijn van drie maanden gaat lopen. Per saldo is dit gelijk aan een termijn van twee maanden, gerekend vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst eindigt, of zou zijn geëindigd. Aan artikel 7:686a, vierde lid wordt een onderdeel d toegevoegd, waarin is geregeld dat de werkgever binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen is geweigerd een verzoek bij de kantonrechter moet indienen om de arbeidsovereenkomst alsnog te ontbinden. In artikel 7:686a wordt alsnog de relatieve bevoegdheidsregel opgenomen waardoor naast de rechter van de woonplaats van de verweerder ook de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht bevoegd is.
Tot slot wordt voorgesteld om de rechter de bevoegdheid te geven om met een ontbindingsverzoek op grond van 7:671b en 7:671c ‘verband houdende vorderingen’ toch (deels) niet in samenhang te beoordelen maar te splitsen. Dat zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn als een gezamenlijke behandeling van ontbindingsverzoek en daarmee verband houdende vorderingen, naar het oordeel van de rechter, een onevenredige vertraging van de ontbindingsprocedure zou opleveren.
