Wetgeving
Wijziging van de Algemene Ouderdomswet
Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en Overige fiscale maatregelen 2013 in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijdontwikkeling
09-11-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 14 november 2014. Brief van de staatssecretaris van SZW aan de Eerste Kamer en brief van de staatssecretaris van SZW aan de Tweede Kamer, beide van 13 oktober 2015. Zie onder ‘Overige ontwikkelingen’: Regeling tot wijziging van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW.
Gelet op de overweging dat er mensen zijn die al per 1 januari 2013 deelnemen aan een regeling voor Vut- of prepensioen die pas na 1 januari 2019 afloopt en er ook mensen zijn die na 1 januari 2013 zijn gaan deelnemen aan een Vut- of prepensioenregeling, die gebruik moeten kunnen maken van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) omdat ook zij geconfronteerd worden met een inkomens gat, waarop zij niet hadden kunnen anticiperen als de einddatum van hun vroegpensioenregeling is gebaseerd op de eerder geldende AOW-leeftijd, is de OBR aangepast. Daarnaast wordt onderzocht op welke wijze voorkomen kan worden dat ouderen met een jongere partner een beroep moeten doen op de Participatiewet.
in werking
24-09-2015
In werking getreden wetsvoorstel
Ingediend bij de Tweede Kamer op 14 november 2014. Nota naar aanleiding van het verslag van 13 mei 2015, Motie van het lid Reuten en Motie van het lid Den Boer van 19 mei 2015. Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en Overige fiscale maatregelen 2013 in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Stb. 2015, 218). Deze wet treedt in werking met ingang van 19 juni 2015. In afwijking hiervan treedt artikel II onderdelen C, I, K en Q in werking met ingang van 1 januari 2016, artikel II onderdelen D en L met ingang van 1 januari 2017, artikel II onderdelen E en M met ingang van 1 januari 2018, artikel II onderdelen F en N met ingang van 1 januari 2019, artikel II onderdelen G en O met ingang van 1 januari 2020 en artikel II onderdelen H en P met ingang van 1 januari 2021.
De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd worden vanaf 2016 in jaarlijkse stappen van drie of vier maanden versneld verhoogd naar 66 jaar, resp. 16 jaar in 2020 en naar 67 jaar, resp. 17 jaar in 2021 en worden daarna gekoppeld aan de levensverwachting. In de huidige wet is vastgelegd dat de pensioengerechtigde en aanvangsleeftijd in de jaren 2016 tot en met 2018 jaarlijks met twee maanden stijgen en in de jaren 2019 tot en met 2021 jaarlijks met drie maanden. Dit wetsvoorstel voorziet in een versnelling van die verhoging zodat de pensioengerechtigde en aanvangsleeftijd in de jaren 2016 tot en met 2018 jaarlijks met drie maanden en in de jaren 2019 tot en met 2021 jaarlijks met vier maanden stijgen.
Het vereiste dat de vaststelling van de verhoging van de AOW-leeftijd, die vanaf 2022 wordt gekoppeld aan de levensverwachting, moet plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur is geschrapt, waardoor het besluit direct uit de wet volgt.
Variabilisatie van reeds vóór 1 januari 2016 ingegaan pensioen is tijdelijk mogelijk gemaakt, mits de mate van variatie uiterlijk bij het bereiken van de 65 5/12-jarige leeftijd is vastgesteld. Hierdoor kan een AOW-gat tussen de 65 5/12-jarige leeftijd (de AOW-leeftijd die zonder de versnelde verhoging daarvan per 1 januari 2016 zou gelden) en de latere AOW-ingangsdatum worden opgevuld met tijdelijk hogere pensioenuitkeringen gevolgd door een lager pensioen over de resterende uitkeringsperiode. Deze mogelijkheid geldt tot 1 juli 2016 in plaats van tot de in de overige fiscale maatregelen 2013 vastgelegde datum van 1 januari 2016.
De overbruggingsregeling AOW, voor wat betreft de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd, wordt ook open gesteld voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met VUT- of prepensioen zijn gegaan en worden geconfronteerd met een inkomensgat. Deze overbruggingsregeling AOW is voorts verlengd tot 1 januari 2023.
ontwikkeling
24-09-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 14 november 2014. Amendement van het lid Schut-Welkzijn van 25 maart 2015. Gewijzigd Amendement van de leden Schut-Welkzijn en Vermij van 26 maart 2015. Motie van het lid Van Weyenberg, Motie van het lid Pieter Heerma c.s. en Motie van het lid Klaver c.s., allen van 26 maart 2015. Gewijzigd Voorstel van wet van 26 maart 2015. Memorie van antwoord van 29 april 2015.
De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
– Het vereiste dat de vaststelling van de verhoging van de AOW-leeftijd, die vanaf 2022 wordt gekoppeld aan de levensverwachting, moet plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur is geschrapt, waardoor het besluit direct uit de wet volgt.
– Variabilisatie van reeds vóór 1 januari 2016 ingegaan pensioen is tijdelijk mogelijk gemaakt, mits de mate van variatie uiterlijk bij het bereiken van de 65 5/12-jarige leeftijd is vastgesteld. Hierdoor kan een AOW-gat tussen de 65 5/12-jarige leeftijd (de AOW-leeftijd die zonder de versnelde verhoging daarvan per 1 januari 2016 zou gelden) en de latere AOW-ingangsdatum worden opgevuld met tijdelijk hogere pensioenuitkeringen gevolgd door een lager pensioen over de resterende uitkeringsperiode. Deze mogelijkheid geldt tot 1 juli 2016 in plaats van tot de in Overige fiscale maatregelen 2013 vastgelegde datum van 1 januari 2016.
– De overbruggingsregeling AOW, voor wat betreft de versnelling van de verhoging van de AOW-leeftijd, wordt ook opengesteld voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met VUT- of prepensioen zijn gegaan en worden geconfronteerd met een inkomensgat. Deze overbruggingsregeling AOW is voorts verlengd tot 1 januari 2023.
wetsvoorstel
07-09-2015
Nieuw wetsvoorstel
Ingediend bij de Tweede Kamer op 14 november 2014. Voorstel van wet en Memorie van toelichting van 14 november 2014.
In dit wetsvoorstel worden de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd vanaf 2016 in jaarlijkse stappen van drie of vier maanden versneld verhoogd naar 66 jaar, respectievelijk 16 jaar in 2020 en naar 67 jaar, respectievelijk 17 jaar in 2021 en worden daarna gekoppeld aan de ontwikkeling van de macrogemiddelde resterende levensverwachting. In de huidige wet is vastgelegd dat de pensioengerechtigde en aanvangsleeftijd in de jaren 2016 tot en met 2018 jaarlijks met twee maanden stijgen en in de jaren 2019 tot en met 2021 jaarlijks met drie maanden. Dit wetsvoorstel voorziet in een versnelling van die verhoging zodat de pensioengerechtigde en aanvangsleeftijd in de jaren 2016 tot en met 2018 jaarlijks met drie maanden en in de jaren 2019 tot en met 2021 jaarlijks met vier maanden stijgen.
