Wetgeving
Verzamelwet SZW 2018
Wijziging van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheidin werking
08-01-2018
In werking getreden wetsvoorstel
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 augustus 2017. Wet van 29 november 2017 tot wijziging van enkele wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2018) (Stb. 2017/484). Besluit van 6 december 2017 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Verzamelwet SZW 2018: de artikelen van de Verzamelwet SZW 2018 treden, met uitzondering van de artikelen I, onderdeel Aa, IV, onderdeel B, V, onderdelen C, D en E, VII, VIII, onderdelen A, B, D, E, H en I, X, XII, XIV, onderdelen E, F en G, XVI, XIX, onderdelen 0A en A, XXIII, XXVI, onderdeel A, XXIX tot en met XXX, XXXI, onderdelen B en E tot en met H, XXXII, onderdelen Na en S, en XXXIII, in werking met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat artikel XX in werking treedt voordat artikel I, onderdeel L, van de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en enkele andere wetten in verband met de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot kindercentra en peuterspeelzalen (Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) (Stb. 2017, 252) in werking treedt. De artikelen I, onderdeel Aa, V, onderdelen C, D en E, VII, VIII, onderdelen B, onder 1 en 3, onderdelen a en b, D, E en I, XII, XVI, XIX, onderdelen 0A en A, XXIII, XXVI, onderdeel A, XXXI, onderdelen B en E tot en met H, en XXXIII van de Verzamelwet SZW 2018 treden in werking met ingang van 16 december 2018, met dien verstande dat: (a.) de artikelen I, onderdeel Aa, VII, XII, XVI en XIX, onderdeel A, terugwerken tot en met 1 oktober 2017; (b.) artikel V, onderdeel C, terugwerkt tot en met 4 juli 2016; (c.) de artikelen V, onderdeel D, en XIX, onderdeel 0A, terugwerken tot en met 1 januari 2016; (d.) artikel VIII, onderdeel I, terugwerkt tot en met 19 juli 2017; (e.) artikel XXIII terugwerkt tot en met 10 oktober 2017; (f.) artikel XXVI, onderdeel A, terugwerkt tot en met 1 januari 2017; (g.) artikel XXXIII terugwerkt tot en met 1 januari 2015. Artikel IV, onderdeel B, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking op het tijdstip waarop artikel VI van de Wet aanpak schijnconstructies in werking treedt. Artikel VIII, onderdelen A, B, onder 2 en 3, onderdeel c, en H van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 april 2018. Artikel X van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 april 2018. Artikel XIV, onderdelen E, F en G, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop artikel 8 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie in werking treedt. Artikel XXXII, onderdelen Na en S, van de Verzamelwet SZW 2018 treedt in werking met ingang van 1 juli 2018. Artikel 12 van de Wet raadgevend referendum is van toepassing. Brief van de minister van SZW van 18 december 2017.
- in artikel 28a is een bevoegdheid opgenomen van de toezichthouder om een bevel op te leggen om de werkzaamheden te staken of niet aan te vangen. Dit bevel is gekoppeld aan het feit dat al eerder een bestuurlijke boete is opgelegd wegens een vergelijkbare overtreding en de werkgever bovendien is gewaarschuwd dat bij herhaling van de aangeduide overtreding een bevel tot stillegging van de werkzaamheden kan volgen. In lid 4 wordt de overeenkomstige toepassing van artikel 5:34, tweede lid, Awb ten aanzien van de waarschuwing geschrapt. Dit brengt met zich mee dat de overtreder kan verzoeken om de waarschuwing in te trekken indien de waarschuwing een jaar van kracht is geweest zonder dat een bevel tot stillegging van werkzaamheden is gegeven.
- in artikel 7:672 lid 5 wordt een verwijzing opgenomen naar artikel 7:671a lid 2, waardoor ook de duur van de periode die nodig is om toestemming voor de opzegging van arbeidsovereenkomst door de ontslagcommissie te verkrijgen in mindering mag worden gebracht op de opzegtermijn.
- in artikel 4 lid 1 onder e is de juridische fictie opgenomen dat de arbeidsverhouding van een bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap ook voor de toepassing van de WW (en de ZW) als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Van deze juridische fictie wordt de niet- uitvoerende bestuurder in de zin van artikel 2:129a BW uitgezonderd zodat deze niet verzekerd is voor de WW en ZW;
- artikel 20 en 21 worden aangepast door toevoeging van een nieuwe beëindigingsgrond voor de situatie waarin een WW-gerechtigde, die (naast het huidige werk) niet op zoek wil naar een andere baan, op aanvraag de WW-uitkering kan stopzetten. Deze stopzetting vindt dan in de regel plaats met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de WW-gerechtigde de aanvraag tot stopzetting van de WW-uitkering heeft ingediend (toelichting: onder de inkomenssystematiek (waarbij, als de werknemer arbeid aanvaardt tegen een lager maandinkomen dan de geldende WW-uitkering, de WW-uitkering niet geheel wordt beëindigd) kan een WW-gerechtigde die in urenomvang volledig werkt (arbeidsurenverlies van minder dan 5 uur per week) en nog recht heeft op een restantuitkering, de uitkering niet stop laten zetten omdat hij niet beschikbaar is. Het feit dat voor het volledige aantal uren wordt gewerkt toont immers aan dat deze persoon voor dit aantal uren beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Dit betekent dat de WW-uitkering doorloopt en de WW-gerechtigde moet blijven solliciteren;
- er wordt in artikel 27 een waarschuwingsbevoegdheid geïntroduceerd ter zake van het niet naleven van de sollicitatieplicht (hetzelfde geldt voor de IOW, WIA en ZW).
- artikel 7c: met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt dat uitzendbureaus en arbeidsbemiddelingsbureaus in de fase voordat er daadwerkelijk sprake is van geslaagde bemiddeling of terbeschikkingstelling, de identiteit van de werkzoekende vaststellen. Gedurende deze periode is het noodzakelijk om een afschrift van het document op te hebben genomen in de administratie, zodat de opdrachtgever bij de arbeidsbemiddeling erop kan vertrouwen dat een arbeidskracht ook daadwerkelijk werkzaamheden mag verrichten in Nederland. Het afschrift dient te worden vernietigd zodra het bewaren van dit afschrift niet meer noodzakelijk is, maar uiterlijk vier weken nadat het afschrift in de administratie is opgenomen, tenzij er een arbeidsovereenkomst tot stand komt met het uitzendbureau.
- in de gewijzigde artikelen 3.1 lid 3, 3.8 lid 3 en artikel 3.18 lid 4 wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan tien weken indien het een zwangerschap van een meerling betreft.
- de definities in artikel 1 van dienstontvanger, dienstverrichter, gedetacheerde werknemer, transnationale dienstverrichting en zelfstandige in de WagwEU is aangepast. De in Nederland gevestigde onderneming wordt vervangen door ‘de natuurlijke persoon die in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft of de onderneming of rechtspersoon (…)’. Bepalend is voorts of een werknemer tijdelijk in Nederland arbeid komt verrichten in het kader van transnationale dienstverrichting. Hierbij is niet relevant of een ander gewoonlijk werkland kan worden vastgesteld, maar is relevant dat Nederland niet het gewoonlijk werkland is waar of van waaruit de arbeid wordt verricht;
- in de definitie van dienstverrichter wordt vastgelegd dat het dient te gaan om een dienstverrichter die vanuit een andere lidstaat een werknemer ter beschikking stelt. Hieronder valt ook Zwitserland;
- in de definitie van dienstontvanger wordt ‘de in Nederland gevestigde onderneming’ vervangen door: de natuurlijke persoon die in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft of de onderneming of rechtspersoon, bedoeld in artikel 5 onderscheidenlijk artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007, die in Nederland is gevestigd, dan wel de onderneming, die in Nederland werkzaam is of er werkzaamheden doet verrichten maar niet in Nederland is gevestigd;
- er wordt een lid 4 in artikel 8 ingevoegd, waarin wordt benadrukt dat de gegevens die middels het meldingssysteem worden verkregen, door de minister van SZW worden verwerkt ten behoeve van het toezicht op de naleving van de arbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden, bedoeld in artikel 4 lid 1. Welke gegevens worden verwerkt en op welke wijze, wordt nader geregeld in de ministeriële regeling op grond van lid 5 (nieuw) van artikel 8.
- artikel 2: om de begrippen in de fiscale wetgeving en de WML gelijk te trekken wordt de definitie in de WML gewijzigd naar ‘in de zelfstandige uitoefening van beroep’;
- aan artikel 7 wordt een lid toegevoegd waarin is opgenomen dat de werkgever met toepassing van artikel 7:623 BW verplicht is het minimumloon tijdig te voldoen.Wet op de Europese ondernemingsraden:
- artikel 10 lid 7 vervalt, waardoor het mogelijk wordt om als lid van de bemanning van een zeeschip deel te nemen aan medezeggenschap, ook tijdens het verblijf op zee of in een buitenlandse haven.
- artikel 47, 50, 55, 57: aan deze artikelen met betrekking tot het alsnog ontstaan en herleven van een recht op een WGA- of IVA-uitkering worden enkele situaties toegevoegd waarin het recht op een IVA- of WGA-uitkering herleeft of later ontstaat. In de praktijk blijken zich situaties voor te doen waar het systematisch gezien logisch is dat het recht herleeft of later ontstaat, maar dit niet als zodanig is vastgelegd in de wet. Het gaat in alle gevallen om situaties waarbij het IVA-recht of WGA-recht eindigt, terwijl op het moment dat de eindigingsgrond zich niet meer voordoet de betrokkene gedeeltelijk arbeidsgeschikt respectievelijk duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. Op grond van de huidige wettekst ontstaat in het eerste geval niet alsnog een WGA-recht (of dat herleeft niet) en in het tweede geval ontstaat niet alsnog een IVA-recht (of dat herleeft niet). Met de voorgestelde aanpassingen gebeurt dat wel. Tevens kan met voorgestelde aanpassing de loongerelateerde WGA-uitkering herleven nadat een uitsluitingsgrond zich niet meer voordoet, ook als de betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
- met de wijziging van artikel 29d lid 1 wordt geregeld dat een werknemer alleen aanspraak kan maken op de compensatieregeling indien het betreffende dienstverband is aangevangen vóór het bereiken van de AOW-leeftijd. Voorts wordt de compensatieregeling verlengd, zodat ook werknemers eronder vallen die geboren zijn op of na 8 juli 1954 en vóór 1 januari 1962;
- de eigenrisicodrager is opgenomen in de opsomming van artikel 45 lid 1 onder j. De werknemer die een eigenrisicodragende werkgever benadeelt, kan derhalve ook een sanctie opgelegd krijgen;
- het nieuwe artikel 38aa ZW voorziet in een ruimere aangiftetermijn van 6 weken vanaf de datum dat het dienstverband wordt beëindigd voor het doen van ziekte-aangiften bij UWV door de eigenrisicodrager;
- in artikel 63c lid 1 wordt voorgeschreven dat de eigenrisicodrager zich bij de ziekteverzuimbegeleiding van zijn ex-werknemers moet laten bijstaan door een bedrijfsarts of arbodienst.
ontwikkeling
06-12-2017
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 augustus 2017. Vierde nota van wijziging van 26 oktober 2017 en vijfde nota van wijziging van 3 november 2017. Motie van de leden Dijkgraaf en Nijkerken-De Haan van 7 november 2017. Gewijzigd voorstel van wet van 14 november 2017. Eindverslag van 21 november 2017.
In een nieuw lid 6 in artikel 7 WML wordt het precieze moment waarop de werkgever het minimumloon moet voldoen expliciet gekoppeld aan artikel 7:623 BW. Ook voor de betaling van het minimumloon geldt dat het voldaan moet worden op het moment zoals overeengekomen, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand.
wetsvoorstel
09-10-2017
Nieuw wetsvoorstel
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 augustus 2017. Voorstel van wet en memorie van toelichting van 29 augustus 2017. Nota van wijziging van 14 september 2017 en tweede nota van wijziging van 25 september 2017.
- in artikel 28a wordt de overeenkomstige toepassing van artikel 5:34, tweede lid, Awb ten aanzien van de waarschuwing geschrapt. Dit brengt met zich mee dat na het opleggen van een waarschuwing niet ten minste een jaar behoeft te zijn verstreken alvorens een verzoek tot intrekking kan worden gedaan.
- artikel 20 en 21 worden aangepast door toevoeging van een nieuwe beëindigingsgrond voor de situatie waarin een WW-gerechtigde, die (naast het huidige werk) niet op zoek wil naar een andere baan, op aanvraag de WW-uitkering kan stopzetten. Deze stopzetting vindt dan in de regel plaats met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de WW-gerechtigde de aanvraag tot stopzetting van de WW-uitkering heeft ingediend (toelichting: onder de inkomenssystematiek (waarbij, als de werknemer arbeid aanvaardt tegen een lager maandinkomen dan de geldende WW-uitkering, de WW-uitkering niet geheel wordt beëindigd) kan een WW-gerechtigde die in urenomvang volledig werkt (arbeidsurenverlies van minder dan 5 uur per week) en nog recht heeft op een restantuitkering, de uitkering niet stop laten zetten omdat hij niet beschikbaar is. Het feit dat voor het volledige aantal uren wordt gewerkt toont immers aan dat deze persoon voor dit aantal uren beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Dit betekent dat de WW-uitkering doorloopt en de WW-gerechtigde moet blijven solliciteren;
- er wordt in artikel 27 een waarschuwingsbevoegdheid geïntroduceerd ter zake van het niet naleven van de sollicitatieplicht (hetzelfde geldt voor de IOW, WIA en ZW).
- artikel 7c: met deze wijziging wordt het mogelijk gemaakt dat uitzendbureaus en arbeidsbemiddelingsbureaus in de fase voordat er daadwerkelijk sprake is van geslaagde bemiddeling of terbeschikkingstelling, de identiteit van de werkzoekende vaststellen. Gedurende deze periode is het noodzakelijk om een afschrift van het document op te hebben genomen in de administratie, zodat de opdrachtgever bij de arbeidsbemiddeling erop kan vertrouwen dat een arbeidskracht ook daadwerkelijk werkzaamheden mag verrichten in Nederland. Het afschrift dient te worden vernietigd zodra het bewaren van dit afschrift niet meer noodzakelijk is, maar uiterlijk vier weken nadat het afschrift in de administratie is opgenomen, tenzij er een arbeidsovereenkomst tot stand komt met het uitzendbureau.
- in de gewijzigde artikelen 3.1 lid 3, 3.8 lid 3 en artikel 3.18 lid 4 wordt het bevallingsverlof verlengd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof korter heeft geduurd dan tien weken indien het een zwangerschap van een meerling betreft.
- de definities in artikel 1 van gedetacheerde werknemer, transnationale dienstverrichting en zelfstandige in de WagwEU is aangepast. Bepalend is of een werknemer tijdelijk in Nederland arbeid komt verrichten in het kader van transnationale dienstverrichting. Hierbij is niet relevant of een ander gewoonlijk werkland kan worden vastgesteld, maar is relevant dat Nederland niet het gewoonlijk werkland is waar of van waaruit de arbeid wordt verricht;
- in de definitie van dienstverrichter wordt vastgelegd dat het dient te gaan om een dienstverrichter die vanuit een andere lidstaat een werknemer ter beschikking stelt. Hieronder valt ook Zwitserland;
- in de definitie van dienstontvanger wordt ‘de in Nederland gevestigde onderneming’ vervangen door: de natuurlijke persoon die in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft of de onderneming of rechtspersoon, bedoeld in artikel 5 onderscheidenlijk artikel 6 van de Handelsregisterwet 2007, die in Nederland is gevestigd, dan wel de onderneming, die in Nederland werkzaam is of er werkzaamheden doet verrichten maar niet in Nederland is gevestigd;
- er wordt een lid 4 in artikel 8 ingevoegd, waarin wordt benadrukt dat de gegevens die middels het meldingssysteem worden verkregen, door de minister van SZW worden verwerkt ten behoeve van het toezicht op de naleving van de arbeidsvoorwaarden en de arbeidsomstandigheden, bedoeld in artikel 4 lid 1. Welke gegevens worden verwerkt en op welke wijze, wordt nader geregeld in de ministeriële regeling op grond van lid 5 (nieuw) van artikel 8.
- artikel 2: om de begrippen in de fiscale wetgeving en de WML gelijk te trekken wordt de definitie in de WML gewijzigd naar ‘in de zelfstandige uitoefening van beroep’.
Wet op de Europese ondernemingsraden:
- artikel 10 lid 7 vervalt.
- artikel 47, 50, 55, 57: aan deze artikelen met betrekking tot het alsnog ontstaan en herleven van een recht op een WGA- of IVA-uitkering worden enkele situaties toegevoegd waarin het recht op een IVA- of WGA-uitkering herleeft of later ontstaat. In de praktijk blijken zich situaties voor te doen waar het systematisch gezien logisch is dat het recht herleeft of later ontstaat, maar dit niet als zodanig is vastgelegd in de wet. Het gaat in alle gevallen om situaties waarbij het IVA-recht of WGA-recht eindigt, terwijl op het moment dat de eindigingsgrond zich niet meer voordoet de betrokkene gedeeltelijk arbeidsgeschikt respectievelijk duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. Op grond van de huidige wettekst ontstaat in het eerste geval niet alsnog een WGA-recht (of dat herleeft niet) en in het tweede geval ontstaat niet alsnog een IVA-recht (of dat herleeft niet). Met de voorgestelde aanpassingen gebeurt dat wel. Tevens kan met voorgestelde aanpassing de loongerelateerde WGA-uitkering herleven nadat een uitsluitingsgrond zich niet meer voordoet, ook als de betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
- met de wijziging van artikel 29d lid 1 wordt geregeld dat een werknemer alleen aanspraak kan maken op de compensatieregeling indien het betreffende dienstverband is aangevangen vóór het bereiken van de AOW-leeftijd. Voorts wordt de compensatieregeling verlengd, zodat ook werknemers eronder vallen die geboren zijn op of na 8 juli 1954 en vóór 1 januari 1962;
- in artikel 63c lid 1 wordt voorgeschreven dat de eigenrisicodrager zich bij de ziekteverzuimbegeleiding van zijn ex-werknemers moet laten bijstaan door een bedrijfsarts of arbodienst.
- in artikel 7:672 lid 5 wordt ook een verwijzing opgenomen naar lid 2. Daarmee mag de duur van de periode die benodigd is voor het verkrijgen van toestemming door de ontslagcommissie ook in mindering worden gebracht op de opzegtermijn.
