Wetgeving
Wet werk en zekerheid
Wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en wijziging van verschillende wetten in verband met het aanpassen van de Werkloosheidswet, het verruimen van de openstelling van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de beperking van de toegang tot de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersontwikkeling
08-01-2018
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 november 2013. Besluit van 28 november 2017 tot het bepalen van het moment en de wijze van het omzetten van het dagloon van de resterende uitkeringsrechten gebaseerd op de Werkloosheidswet zoals deze luidde voor 1 juli 2015 (Besluit eindconversie WW).
Met de WWZ is per 1 juli 2015 in de WW inkomensverrekening ingevoerd. Niet de gewerkte uren worden met de WW-uitkering verrekend, maar het inkomen dat met het werk wordt verdiend. De urenverrekeningssystematiek bleef wel van toepassing op WW-uitkeringen met een eerste werkloosheidsdag gelegen voor 1 juli 2015. Dit was vooral van belang voor de uitvoerbaarheid voor het UWV. Het was voor het UWV niet mogelijk naast de invoering van een geheel nieuwe WW-systematiek ook nog alle lopende uitkeringen op hetzelfde moment om te zetten.Bij de totstandkoming van de WWZ is er al wel rekening mee gehouden dat de WW-uitkeringen op grond van de oude systematiek (urenverrekening) op enig moment zouden moeten worden omgezet naar de WWZ-systematiek (inkomensverrekening). Met dit besluit wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om alle nog lopende WW-uitkeringen (vanaf 1 oktober 2018) te converteren naar de nieuwe uitkeringssystematiek. Dit betekent dat voor alle WW-gerechtigden de maandsystematiek wordt toegepast, dat maandelijks het inkomen aan het UWV doorgegeven moet worden en dat voor iedereen eenzelfde verrekeningssystematiek wordt toegepast.
ontwikkeling
17-05-2016
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Onderstaand volgt een overzicht van een aantal voorgestelde wijzigingen in de WWZ die door middel van een nieuw wetsvoorstel dan wel in het kader van andere gesignaleerde wetsvoorstellen (zullen) worden gerealiseerd.
In de nota van wijziging is onder meer verduidelijkt dat overeenkomstig de intentie van de handhavingsrichtlijn procedures op grond van de ketenaansprakelijkheidsbepalingen voor gedetacheerde werknemers ook daadwerkelijk voor de Nederlandse rechter kunnen plaats vinden. In de tweede nota van wijziging wordt voorgesteld te komen tot een wijziging van de ketenbepaling zoals opgenomen in artikel 7:668a BW. De voorgestelde wijziging houdt in dat de tussenpoos van ten hoogste zes maanden bij cao kan worden teruggebracht naar ten hoogste drie maanden voor functies waarin de werkzaamheden als gevolg van klimatologische of natuurlijke omstandigheden seizoensgebonden zijn en gedurende ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden verricht. Deze mogelijkheid zal niet gelden wanneer het functies betreft die volgtijdelijk door dezelfde werknemer kunnen worden vervuld en waarmee een aaneengesloten periode van negen maanden wordt overschreden.
Nota van wijziging van 22 maart 2016 en tweede nota van wijziging van 22 april 2016. Gewijzigde motie van het lid Ulenbelt van 28 april 2016.
Als gevolg van de aangenomen moties zullen:
– de uitvoering en gevolgen van de compensatieregeling en het nieuwe dagloonbesluit worden gemonitord en de uitkomsten daarvan voor 1 juni 2017 aan de Kamer worden gestuurd;
– bij de evaluatie van de WWZ meer meetbare doelstellingen worden gehanteerd en duidelijk worden gemaakt in hoeverre ontwikkelingen op de arbeidsmarkt ook daadwerkelijk het gevolg zijn van de WWZ.
In zijn brief informeert de minister over de volgende wijzigingen in de WWZ:
– aanpassing van de ketenbepaling in relatie tot seizoensarbeid (zie tweede nota van wijziging wetsvoorstel 34408): de voorgestelde wijziging houdt in dat de tussenpoos van ten hoogste zes maanden bij cao kan worden teruggebracht naar ten hoogste drie maanden voor functies waarin de werkzaamheden als gevolg van klimatologische of natuurlijke omstandigheden seizoensgebonden zijn en gedurende ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden verricht. Deze mogelijkheid zal niet gelden wanneer het functies betreft die volgtijdelijk door dezelfde werknemer kunnen worden vervuld en waarmee een aaneengesloten periode van negen maanden wordt overschreden. Beoogde datum van in werking treden is 1 juli 2016;
– aanpassing van de transitievergoeding in relatie tot bedrijfseconomische redenen: bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen hoeft de (gekapitaliseerde) waarde van de bij cao geregelde voorziening niet gelijkwaardig te zijn aan de transitievergoeding waar een individuele werknemer recht op zou hebben gehad. Het is aan cao-partijen zelf om te bepalen wat de inhoud en omvang van de cao-voorziening zal zijn – die ook alleen kan bestaan uit van-werk-naar-werk arrangementen – en door wie een dergelijke voorziening verschuldigd is. Dergelijke afspraken alleen kunnen worden afgesloten met een of meer vakbonden die in de onderneming of de bedrijfstak werkzame personen onder hun leden tellen, die krachtens hun statuten ten doel hebben de belangen van hun leden als werknemers te behartigen, die als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam zijn en ten minste twee jaar in het bezit zijn van volledige rechtsbevoegdheid;
– aanpassing van de transitievergoeding in relatie tot ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid: werkgevers worden gecompenseerd voor de kosten van een bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid verschuldigde transitievergoeding. Die compensatie kan plaatsvinden vanuit het Awf waar uiteraard een verhoging van de (uniforme) premie tegenover zal staan. Bezien zal worden of het mogelijk is om de voorgestelde wijziging met terugwerkende kracht in te laten gaan.
Voor de tweede en derde wijziging zal een apart wetsvoorstel worden ingediend met een beoogde datum van in werking treden van 1 januari 2018.
Ingediend bij de Tweede Kamer op 27 november 2015. Motie van het lid Vermeij en motie van het lid Van ’t Wout van 24 maart 2016 en brief van de minister van SZW van 7 april 2016. Brief van de minister van SZW van 21 april 2016 en brief van de minister van SZW van 21 april 2016.
Met drie maatregelen wil minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid enkele knelpunten voor werkgevers bij de loondoorbetaling bij ziekte verminderen. Met de maatregelen loopt de bewindsman vooruit op een advies van de SER over een sluitend stelsel voor loondoorbetaling bij ziekte voor werknemers en zzp’ers.
– De eerste maatregel heeft betrekking op de re-integratie in het tweede spoor (art. 7:658a, lid 1, BW). Het wel of niet, het te laat of te vroeg inzetten van een tweede spoortraject zal hierdoor niet langer kunnen leiden tot een loonsanctie van UWV. Het UWV kan nu een loonsanctie opleggen als een werkgever niet, of niet op het juiste moment het tweede spoortraject inzet. Het wel of niet en het moment van inzetten van een tweede spoortraject wordt een keuze van werkgever en werknemer op basis van advies van de bedrijfsarts en wordt vastgelegd in een plan van aanpak. UWV toetst vervolgens of het re-integratietraject conform plan van aanpak is verlopen.
– De tweede maatregel heeft betrekking op de vervroegde IVA-keuring. Op dit moment kan alleen een werknemer een vervroegde IVA-uitkering. Ook aan werkgevers zal de mogelijkheid worden geboden om (onder voorwaarden) een dergelijke aanvraag te doenindien duidelijk is dat de werknemer in de toekomst niet meer kan werken. Werkgevers hebben hier belang bij vanwege de financiële lastenverlichting en om onnodige inzet van re-integratieactiviteiten te voorkomen.Deze twee maatregelen zullen in een wetsvoorstel worden uitgewerkt. De minister verwacht rond de zomer de Kamer te kunnen informeren over de contouren van dit wetsvoorstel.
– Een derde maatregel heeft betrekking op de premiestelling voor de verzuimverzekering, die door veel kleine en middelgrote werkgevers wordt afgesloten. Er bestaat behoefte aan een stabiele premie, maar in de praktijk blijkt de premie te kunnen fluctueren. De minister zal met de verzekeraars in gesprek gaan opdat meer verzekeraars overstappen op een stabielere premiestelling.
Kamerbrief oplossingen voor knelpunten op de arbeidsmarkt en uitkomsten overleg Wet Werk en Zekerheid van 21 april 2016. Brief van de minister van SZW aan de voorzitter van de Tweede Kamer.
ontwikkeling
09-11-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 november 2013. Brief van de minister van SZW van 16 oktober 2015. Regeling ketenbepaling bijzondere functies en hogere vergoeding kantonrechter van 24 juni 2015.
Bij ministeriële regeling is inmiddels geregeld dat cao-partijen voor de volgende functies de ketenbepaling buiten toepassing kunnen verklaren:
– contractspeler, trainer-coach – waaronder de jeugdcoach –, assistent trainer-coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer werkzaam in de bedrijfstak betaald voetbal;
– bondstrainer en technisch directeur bij een nationale sportbond;
– danser en acteur in de podiumkunstsectoren dans of theater;
– de musicus die als remplaçant werkzaam is bij een orkest;
– presentatoren bij RTL Nederland met een bruto jaarsalaris van € 100.000 of meer.
Het betreft functies die ‘vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering en van die functies’ noodzakelijkerwijs op basis van tijdelijke contracten worden verricht.
ontwikkeling
13-10-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 november 2013. Besluit van 2 juli 2015 tot intrekking van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC. Motie van het lid Van Weyenberg en motie van het lid Voortman c.s. van 2 juli 2015. Besluit UWV Verplicht gebruik formulier transitievergoeding en formulier collectief ontslag (in werking met ingang van 8 juli 2015).
Door het aannemen van de motie-Voortman c.s. zal de regering in overleg met de sociale partners voorstellen doen om meerjarige tweede arbeidsovereenkomsten mogelijk te maken.
UWV heeft op grond van artikel 7:673d lid 1 BW en artikel 8 van de Regeling Ontslagprocedure UWV de wettelijke taak om verzoeken om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding te behandelen. Daarbij toetst UWV of is voldaan aan artikel 24 van de Ontslagregeling. Het verzoek moet door de werkgever gelijktijdig met de ontslagaanvraag worden ingediend. UWV hecht eraan dat de informatie die de werkgever moet verstrekken bij de ontslagaanvraag naadloos aansluit op de informatie die verstrekt wordt bij het verzoek om een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding. Dit kan alleen goed geborgd worden door, evenals het aanvraagformulier voor ontslag, ook dit verzoek te laten verlopen via een verplicht gesteld formulier.
ontwikkeling
13-10-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 november 2013. Regeling van 17 november 2014 tot wijziging van het Ontslagbesluit inzake de opzegging van de arbeidsverhouding met een payrollwerknemer. Besluit passende arbeid WW en ZW en Besluit conversie WW van 11 december 2014. Deze besluiten treden in werking op 1 juli 2015 (zie verderop Besluit van 4 mei 2015). Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding van 11 december 2014. Dit besluit is in werking getreden met ingang van 1 januari 2015, met uitzondering van de artikelen 1 onderdelen b en c, 3 en 4, die met ingang van 1 juli 2015 in werking treden. Regeling looncomponenten en arbeidsduur van 12 december 2014. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, met uitzondering van de artikelen 4 en 5, die met ingang van 1 juli 2015 in werking treden. Wijziging Besluit beleidsregels ontslagtaak UWV 2012. Dit Besluit is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Besluit tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit van 28 januari 2015. Dit besluit treedt, met uitzondering van artikel I onderdeel G onder 1 en onderdeel H op 1 juli 2015 in werking (zie Besluit van 4 mei 2015). Artikel I onderdeel G onder 1 en onderdeel H zijn met ingang van 7 februari 2015 in werking getreden. Besluit tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen van 9 april 2015. Dit besluit treedt met ingang van 1 juli 2015 in werking, met uitzondering van artikel I onderdelen M, R en T. Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding en Besluit overgangsrecht transitievergoeding van 23 april 2015. Deze besluiten treden in werking met ingang van 1 juli 2015. Ontslagregeling en Regeling UWV ontslagprocedure van 23 april 2015. Deze regelingen treden in werking met ingang van 1 juli 2015. Besluit van 4 mei 2015 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit passende arbeid WW en ZW, het Besluit conversie WW, het Besluit van 28 januari 2015 tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in verband met het introduceren van inkomensverrekening in de Werkloosheidswet (Stb. 2015, 43) en het Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de wijziging van de Werkloosheidswet door de Wet werk en zekerheid (Stb. 2015, 152). Met ingang van 1 juli 2015 treden in werking: (a) het Besluit passende arbeid WW en ZW; (b) het Besluit conversie WW; (c) het Besluit van 28 januari 2015 tot wijziging van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in verband met het introduceren van inkomensverrekening in de Werkloosheidswet (Stb. 2015, 43), met uitzondering van artikel I onderdeel G onder 1 en onderdeel H; en (d) het Besluit van 9 april 2015 tot wijziging van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in verband met de wijziging van de Werkloosheidswet door de Wet werk en zekerheid (Stb. 2015, 152), met uitzondering van artikel I onderdelen M, R en T. Ontslagregeling en Regeling UWV Ontslagprocedure van 11 mei 2015. Deze regelingen treden in werking met ingang van 1 juli 2015. Regeling ketenbepaling bijzondere functies en hogere vergoeding kantonrechter (Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2015, 2015-0000159867, tot aanwijzing van functies waarvoor de ketenbepaling buiten toepassing wordt verklaard en functies waarbij door de kantonrechter een hogere vergoeding kan worden toegekend indien sprake is van tussentijdse opzegging of ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds opzegbaar is) (Stcrt. 2015, 17972). Deze regeling treedt met ingang van 1 juli 2015 in werking. Besluit verplicht gebruik ontslagaanvraagformulieren UWV van 30 juni 2015. Dit besluit treedt met ingang van 1 juli 2015 in werking. Formulieren ontslag UWV: http://www.uwv.nl/werkgevers/formulieren/index.aspx.
Onderstaand zijn alle uit de WWZ voortvloeiende besluiten en regelingen opgenomen en/of regelingen die daarmee samenhangen. Ook is een link opgenomen naar de ontslagaanvraag UWV.
ontwikkeling
13-10-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
De volgende moties (van belang voor de arbeidsrechtpraktijk) zijn aangenomen:
– Moties nummer 63: oproep aan de overheid om het goede voorbeeld te geven als werkgever door zich te houden aan het bieden van perspectief aan flexwerkers.
– Motie 68: niet met twee maten meten door overheid in zijn oordeel over het personeelsbeleid van de overheid en het bedrijfsleven en het verzoek aan de regering om uiterlijk 1 juni een brief aan de Tweede Kamer te sturen, waarin wordt toegelicht op welke wijze de rijksoverheid naar de geest van de WWZ zal handelen.
ontwikkeling
13-10-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 november 2013. Brief van de Minister van SZW van 25 november 2014. Brief van de Minister van SZW van 10 februari 2015 en advies naar de Raad van State.
In zijn brief informeert de minister dat het digitaal uitvoeringsproces voor de versnelde afhandeling door het UWV van verzoeken om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is stopgezet.Het ontwerpbesluit transitievergoeding (art. 7:673 lid 6 BW) en het ontwerpbesluit overgangsrecht transitievergoeding (art. XXII lid 7 WWZ) zijn voor advies naar de Raad van State gestuurd. In deze besluiten is het volgende geregeld:
– Om te voorkomen dat werkgevers die op 1 juli 2015 nog gebonden zijn aan bijvoorbeeld een cao of sociaal plan of individuele afspraken over vergoedingen of voorzieningen bij ontslag, dubbel moeten betalen heeft het kabinet besloten tot een overgangsregeling. De overgangsregeling is van toepassing wanneer afspraken over vergoedingen en voorzieningen definitief zijn aangegaan voor 1 juli 2015 en de werknemer bij beëindiging van het dienstverband daaraan op 1 juli 2015 rechten kan ontlenen. Daaruit volgt dat het om afspraken gaat die uiterlijk op 1 juli 2015 in werking treden. Afspraken die met terugwerkende kracht gelden op 1 juli 2015 vallen niet onder de overgangsregeling. Onder ‘vergoedingen’ valt bijvoorbeeld een ontslagvergoeding. Onder ‘voorzieningen’ vallen alle afspraken die geen ‘vergoedingen’ zijn zoals afspraken over om- of bijscholing, een outplacementraject of wachtgeldregeling. Lopende afspraken die zijn gemaakt met verenigingen van werknemers, bijvoorbeeld in een cao en/of sociaal plan, waarbij geen rekening is gehouden met de transitievergoeding, gaan voor op de transitievergoeding. Dat geldt totdat deze afspraken worden verlengd of gewijzigd, maar uiterlijk tot 1 juli 2016. De regeling geldt ook nog indien de arbeidsovereenkomst eindigt op of na 1 juli 2016 maar de procedure bij UWV of kantonrechter is gestart voor 1 mei 2016. De overgangsregeling is ook van toepassing wanneer een cao nawerking heeft of stilzwijgend wordt verlengd. Dat geldt zowel wanneer de betreffende cao voor 1 juli 2015 is geëxpireerd als wanneer de cao tijdens de looptijd van de regeling expireert. Zolang de werkgever aan (de nawerking van) de cao is gebonden is hij dus geen transitievergoeding verschuldigd. Voor andere afspraken, bijvoorbeeld in de individuele arbeidsovereenkomst, geldt dat de werknemer moet kiezen tussen zijn transitievergoeding of zijn recht op vergoedingen of voorzieningen uit de bedoelde afspraken. Dit geldt zolang de werknemer rechten aan de desbetreffende afspraken kan ontlenen. De einddatum van 1 juli 2016 is hier niet van toepassing.
– Op de transitievergoeding mogen zogenoemde transitie- en inzetbaarheidskosten in mindering worden gebracht. Transitiekosten zijn kosten van maatregelen in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid van de werknemer. Bijvoorbeeld kosten voor (om)scholing of een outplacementtraject bij ontslag. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die verband houden met het bevorderen van de inzetbaarheid van de werknemer buiten de organisatie van de werkgever, die al eerder tijdens het dienstverband zijn gemaakt. Voorwaarde is dat de door de opleiding verworven kennis en vaardigheden niet zijn aangewend om een functie bij de werkgever uit te oefenen. De werkgever is immers op grond van de wet al verplicht om deze kosten te maken. Onder inzetbaarheidskosten vallen ook kosten van duale opleidingen, zoals opleidingen in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL). De belangrijkste voorwaarde waaronder transitie- en inzetbaarheidskosten in mindering mogen worden gebracht op de transitievergoeding is dat de werknemer vooraf moet instemmen met het maken van de kosten en het in mindering brengen daarvan op zijn transitievergoeding. Dat geldt niet als de werkgever kosten maakt als gevolg van collectieve afspraken waar hij aan gebonden is of als het gaat om kosten voor een duale opleiding. Voor inzetbaarheidskosten geldt nog dat zij in mindering kunnen worden gebracht als ze zijn gemaakt in een periode van maximaal vijf jaar voor het einde van de arbeidsovereenkomst, tenzij partijen een andere periode hebben afgesproken.
De definitieve besluiten worden openbaar na het advies van de Raad van State.
in werking
24-09-2015
In werking getreden wetsvoorstel
Ingediend bij de de Tweede Kamer op 29 november 2013. Nota naar aanleiding van het verslag van 27 mei 2014. Brief van de minister van SZW van 10 juni 2014 met een reactie op voorstellen van de VAAN. Brief van de minister van SZW van 30 juni 2014. De Wet van 14 juni 2014 tot wijziging van verschillende wetten in verband met de hervorming van het ontslagrecht, wijziging van de rechtspositie van flexwerkers en wijziging van verschillende wetten in verband met het aanpassen van de Werkloosheidswet, het verruimen van de openstelling van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen en de beperking van de toegang tot de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Wet werk en zekerheid) is gepubliceerd in Stb. 2014, 216. De Wet werk en zekerheid treedt met ingang van 1 juli 2015 in werking met uitzondering van: – artikel XXXII, onderdelen A, onder 1, en B, onder 1, dat met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst in werking treedt en terugwerkt tot en met 1 juli 2011; – de artikelen XXVIII, onderdelen D en E, en XXIX die met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst in werking treden; – artikel I, onderdeel GG, dat, voor zover het betreft artikel 686a, vierde lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, met uitzondering van de zinsnede «672, lid 9 en 677, lid 4,», van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, met ingang van 1 januari 2015 in werking treedt; – de artikelen I, onderdelen C, onder 2, 3 en 4, H, I, onder 1, 2 en 3, M en II, XXIIa, XXIIb, XXIIc, XXIId, XXIII, XXXI, onderdelen A en C, en XXXII, onderdeel E, die met ingang van 1 januari 2015 in werking treden; – de artikelen XXVI, onderdelen N, O, Q, V, X, Y en DD, XXVII, onderdelen C, E en F, XXX, onderdelen A, B, C, D en F, en XXXII, onderdelen A, onder 2 en 3, en B, onder 2, die met ingang van 1 januari 2016 in werking treden; – de artikelen I, onderdelen B, C, onder 1, en Ca, V, XV, XXIIIa, XXIIIb, XXIIIc, XXIIId, XXIIIe, XXIIIf, XXVI, onderdelen A, voor zover het betreft artikel 1b, tweede lid, onderdeel c, van de Werkloosheidswet, C, D, E, onder 3, en G, XXX, onderdeel E, en XXXI, onderdeel B.Alle artikelen van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 vervallen met ingang van 1 juli 2015 met uitzondering van de artikelen 1, 2 en 8. (Besluit van 10 juli 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid, Stb. 2014, 274). Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot kosten die in mindering gebracht mogen worden op de transitievergoeding (Besluit transitievergoeding) van 3 juli 2014. De minister is van plan dit besluit na de zomer voor advies aan de Raad van State te zenden. Kamerbrief aankondiging nota van wijziging Verzamelwet SZW 2015 van 18 juli 2014.
I WWZ: In de nota naar aanleiding van het verslag wordt ingegaan op (1) de complicaties binnen het onderwijs (2) het begrip opvolgende werkgeverschap (3) het vervallen van de ontslagbescherming voor niet-zelfstandigen die niet werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst (bijv. opdrachtovereenkomst) (4) de loondoorbetalingsverplichting op grond van artikel 7:628 BW (5) de transitievergoeding bij een nieuwe concessie (6) overgangsrecht arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en (7) het schriftelijkheidsvereiste bij de proeftijd. Voorts wordt een reactie gegeven op de vragen en opmerkingen van de VAAN.
II ONTWERPBESLUIT TRANSITIEVERGOEDING: In het Ontwerpbesluit transitievergoeding wordt beschreven welke kosten in mindering kunnen worden gebracht op de transitievergoeding en vervolgens onder welke voorwaarden dit kan gebeuren. Ook wordt uiteen gezet welke situaties te onderscheiden zijn bij opvolgende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde of een andere werkgever, en wat daarvan de gevolgen zijn voor het in mindering kunnen brengen van kosten op de transitievergoeding.
III VERZAMELWET SZW: In dit wetsvoorstel zijn de eerder door de minister van SZW aangekondigde wijzigingen en aanpassingen inzake de Wet werk en zekerheid (WWZ) opgenomen. De minister heeft de Tweede Kamer geïnformeerd dat er een nota van wijziging op het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2015 in voorbereiding is. De nota van wijziging zal naast technische aanpassingen een aantal voorstellen bevatten die voortkomen uit de parlementaire behandeling van de Wet werk en zekerheid en de Invoeringswet Participatiewet.De minister is voornemens de nota van wijziging tegen het einde van het zomerreces in te dienen.
ontwikkeling
24-09-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Ingediend bij de Tweede Kamer op 29 november 2013. Aangehouden motie over ruimere contractvormen voor werkenden boven de AOW-leeftijd (nr. 45) van 13 februari 2014 wordt op 1 april 2014 aangenomen in de Tweede Kamer. Notitie van de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland (VAAN). Voorlopig verslag Wetsvoorstel werk en zekerheid van 23 april 2014.
Onderstaand volgt een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen:
– In het voorlopig verslag vragen de leden van de commissie voor SZW de regering de vragen uit de Notitie Wetsvoorstel Werk en Zekerheid behorende bij de brief van de VAAN te beantwoorden.
– De leden van de fracties hebben aanvullende vragen geformuleerd.
– De PvdA-fractie heeft naast het antwoord op de door haar geformuleerde vragen de regering verzocht ook op de vragen te reageren zoals vastgelegd in de notitie van de Brancheorganisatie Zorg van 31 maart 2014, de brief van de Werkgroep CAO-recht van de Vereniging voor Arbeidsrecht en de vragen van AtiZ (brancheorganisatie Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg).
ontwikkeling
24-09-2015
Wetsvoorstel met relevante ontwikkelingen
Nota naar aanleiding van het verslag en nota van wijziging van 3 februari 2014. Amendement 21, Amendement 24, Amendement 29, Amendement 30, Amendement 34, Amendement 39, Amendement 52 van 11, 12, 13 en 18 februari 2014.
Onderstaand volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen die voortvloeien uit de nota van wijziging en de aangenomen amendementen.
Artikel 7:653 lid 3 BW:
– de onderdelen a en b worden omgedraaid. Eerst beoordeelt een rechter – als er sprake is van een concurrentiebeding in een overeenkomst voor bepaalde tijd – of de daarin opgenomen motivering voldoende dragend is (zo niet dan vernietigt hij het gehele beding). Vervolgens toetst de rechter bij ieder concurrentiebeding dat aan hem wordt voorgelegd of de werknemer erdoor niet onbillijk wordt benadeeld. Als dat laatste naar zijn oordeel het geval is dan zal hij het beding geheel of gedeeltelijk vernietigen.
Artikel 7:668 lid 3 BW:
– een werkgever is het in geld vastgestelde loon over een hele maand verschuldigd is als hij de aanzegplicht in het geheel niet nakomt. Als de werkgever wel aanzegt maar niet tijdig, is hij een vergoeding naar rato verschuldigd is.
Artikel 7:668a lid 2 BW:
– er is ook sprake van het doorlopen van de keten respectievelijk de opbouw van de transitievergoeding, als de opvolgende werkgever geen inzicht heeft in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer. Er hoeven niet zodanige banden te bestaan tussen de opvolgende werkgevers, dat deze kennis over de werknemer beschikbaar is. Dit neemt niet weg dat er wel een aanleiding moet zijn waardoor de werknemer van de oude naar de nieuwe werkgever overgaat. Dit verband zal er vaak zijn als de aanleiding van het overgaan van de oude naar de nieuwe werkgever ingegeven is door een organisatorische of andere wijziging die zich bij een van de werkgevers voordeed. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de werknemer eerst als uitzendkracht voor een werkgever werkt, om vervolgens bij diezelfde werkgever in dienst te treden.
Artikel 7:668a lid 7 BW:
– de afwijkingsmogelijkheid van de ketenbepaling voor bestuurders van rechtspersonen wordt enerzijds beperkt tot het afwijken van de termijn waarna een vast contract ontstaat, anderzijds uitgebreid in die zin dat afwijking bij schriftelijke overeenkomst mogelijk wordt (in plaats van alleen bij cao of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan).
Artikel 7:670a lid 2 BW:
– de opzegverboden bij een opzegging van de arbeidsovereenkomst die geschiedt op grond van artikel 7:669 lid 3 BW zijn niet van toepassing, voor zover de opzegging ten minste geen verband houdt met de omstandigheden waarop de opzegverboden uit artikel 7:670 lid 1 tot en met 4, en 10, of daarmee naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift, zien.
Artikel 7:670b BW:
– (1) een beëindigingsovereenkomst kan alleen schriftelijk worden overeengekomen (2) er is de plicht opgenomen voor de werkgever om in de beëindigingsovereenkomst dan wel binnen twee werkdagen na de instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, de werknemer schriftelijk te wijzen op de veertiendaagse bedenktermijn. Mocht de werkgever niet aan deze plicht voldoen dan wordt de termijn waarbinnen de werknemer zijn gegeven instemming kan herroepen of de beëindigingsovereenkomst kan ontbinden, verlengd tot een maand (bij amendement gewijzigd in drie weken, zie hieronder) (3) indien zich binnen zes maanden nadat een werknemer is teruggekomen van een eerder akkoord, wederom een dergelijke situatie voordoet (instemming met de opzegging of ondertekening van een beëindigingsovereenkomst) kan de werknemer zich niet wederom op het bedenkrecht beroepen (4) voor bestuurders van rechtspersonen wier arbeidsovereenkomst ten aanzien waarvan de rechter op grond van het bepaalde in Boek 2 BW geen veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst kan uitspreken, geldt de bedenktermijn niet.
Artikel 7:671 lid 1e BW:
– dit onderdeel wordt zo verruimd dat het ziet op bestuurders van alle rechtspersonen, indien herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek niet mogelijk is.
Artikel 7:673 lid 4:
– zie de toelichting bij artikel 7:668a BW.
Artikel 7:673a lid 1 BW:
– in dit artikel wordt afgeweken van artikel 7:673, tweede lid, BW. Dit leidt mogelijk tot onduidelijkheid, omdat in artikel 7:673 lid 2 BW ook de maximum hoogte van de transitievergoeding is opgenomen (€ 75.000 of jaarsalaris). Daarom wordt de verwijzing in artikel 7:673a BW beperkt tot de eerste zin van artikel 7:673 lid 2 BW. Overigens wordt zekerheidshalve opgemerkt dat ten aanzien van de periodes waarvoor nog niet de ruimere rekenregel op grond van artikel 7:673a lid 1 geldt, vanzelfsprekend wel transitievergoeding verschuldigd is waarbij de normale berekeningswijze (op grond van art. 7:673 lid 2) wordt toegepast.
Artikel 7:681 lid 1:
– In het wetsvoorstel was geregeld dat de wederindiensttredingsvoorwaarde niet geldt als de werkgever de werkzaamheden door een zelfstandige laat verrichten. Er zijn echter situaties waarin het in de rede ligt dat de wederindiensttredingsvoorwaarde ook dan geldt. Gedacht kan worden aan een situatie waarin arbeidsplaatsen komen te vervallen terwijl vervolgens blijkt dat het werk binnen 26 weken aantrekt en voor de werkzaamheden van de vervallen arbeidsplaatsen zelfstandigen worden ingehuurd. De desbetreffende zinsnede wordt daarom geschrapt in de voorgestelde artikelen 7:681 lid 1 onderdeel c en artikel 7:682 lid 4 BW.
Artikel 7:682a BW:
– in dit artikel was reeds een delegatiebepaling opgenomen met betrekking tot de wederindiensttredingsvoorwaarde. Deze delegatiebepaling wordt zo gewijzigd, dat op grond van onderdeel b van dat artikel bij regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden bepaald wanneer de wederindiensttredingsvoorwaarde niet van toepassing is. In die regeling zal geregeld worden in welke gevallen de wederindiensttredingsvoorwaarde niet geldt als er een zelfstandige wordt ingehuurd voor de werkzaamheden die onderdeel uitmaakten van de vervallen arbeidsplaats.
Artikel 7:686a:
– er wordt een nieuw lid 7 geïntroduceerd waarin het zesde lid van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op een ontbindingsverzoek waarin een vergoeding werd verzocht. Dit bewerkstelligt dat als de rechter voornemens is het verzoek tot ontbinding wel te honoreren maar de verzochte vergoeding niet, hij de verzoeker de gelegenheid dient te bieden zijn verzoek in te trekken.
– het ontslag van de bestuurder gaat mee tellen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een collectief ontslag in de zin van de Wet melding collectief ontslag.
– het overgangsrecht wordt zodanig aangepast dat cao-partijen niet alleen met betrekking tot cao’s, waarbij gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om áf te wijken van de artikelen 7:628, 7:668a en 7:691 BW, tot de expiratiedatum de tijd wordt gegund om de nieuwe wettelijke bepalingen op een juiste wijze over te nemen in nieuwe cao’s, maar ook met betrekking tot cao’s waarin slechts de huidige ketenbepaling van toepassing wordt verklaard.
Overzicht van de aangenomen amendementen:
– nr. 21 (Hamer): dit amendement introduceert een bepaling in het wetsvoorstel, waarmee wordt bewerkstelligd dat de wijziging in de ketenbepaling drie jaar na de inwerkingtreding ervan wordt geëvalueerd.
– nr. 24 (Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Hamer): dit amendement regelt dat kleine MKB-werkgevers (minder dan 25 werknemers) tot 1 januari 2020 dienstjaren gelegen voor 1 mei 2013 buiten beschouwing mogen laten voor de berekening van de transitievergoeding, ingeval het ontslag is ingegeven door de slechte financiële situatie waarin de werkgever verkeert.
– nr. 29 (Van Weyenberg en Hamer): dit amendement beoogt de verplichtingen van de werkgever om de werknemer te scholen expliciet in het BW te verankeren.
– nr. 30 (Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Van Weyenberg): dit amendement regelt dat de wijziging van de ketenbepaling gelijktijdig plaatsvindt met de wijziging van het ontslagrecht (1 juli 2015 i.p.v. 1 juli 2014).
– nr. 34 (Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Hamer): dit amendement verkort de bedenktermijn van de werknemer na instemming met opzegging of een beëindigingsovereenkomst voor het geval de werknemer niet aan zijn informatieplicht over het bestaan van deze bedenktermijn voldoet, van een maand naar drie weken.
– nr. 39 (Dijkgraaf): dit amendement specificeert dat de herplaatsingsverplichting bij opzegging in ieder geval niet in de rede ligt als de opzeggingsgrond verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer is.
– nr. 52 (Dijkgraaf en Schouten): dit amendement regelt dat de arbeidsovereenkomst van personeel binnen het bijzonder onderwijs zonder instemming van de werknemer kan worden opgezegd als de reden voor de opzegging is gelegen in handelen of nalaten van de werknemer dat onverenigbaar is met de uit de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag voortvloeiende identiteit van de onderwijsinrichting, mits vooraf toestemming is verleend door een van de werkgever onafhankelijke en onpartijdige commissie.
wetsvoorstel
07-09-2015
Nieuw wetsvoorstel
Voorstel van wet en memorie van toelichting van 29 november 2013.
De inhoud van dit wetsvoorstel wordt in een aparte signalering wetgeving besproken.
wetsvoorstel
07-09-2015
Nieuw wetsvoorstel
Voorstel van wet en memorie van toelichting van 29 november 2013. Beoogde inwerkingtredingsdatum: Wijziging positie flexwerker: 01-07-2014; Verlenging toegang IOW en afbouw IOAW: 01-01-2015; Wijziging ontslagrecht, aanscherping ‘passende arbeid’, invoering inkomensverrekening: 01-07-2015; Verkorting duur WW: 01-01-2016; Invoering calamiteitenregeling: 01-04-2016.
Onderstaand wordt een overzicht gegeven van de wijzigingen in het BW en de WMCO. De overige wijzigingen zullen in een volgend document worden besproken.
Artikel 7:627 BW:
– Voorgesteld wordt om artikel 7:627 BW te laten vervallen.
Artikel 7:628 BW (Geen arbeid, geen loon):
– In lid 1 BW wordt geregeld dat de werkgever verplicht is om het vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer hoort te komen. Deze wijzigingen zijn wenselijk in het licht van de toekomstige incorporatie van de zogenoemde Calamiteitenregeling WW in het BW. Op het moment dat de Calamiteitenregeling WW wordt ingevoerd zal ook artikel 8 van het BBA 1945 komen te vervallen.
– Op grond van lid 5 kan er schriftelijk – dus bij individuele arbeidsovereenkomst – voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst worden afgeweken van het eerste lid.
– Lid 6 regelt dat als er sprake is van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten de termijn uit het vijfde lid eveneens geldt; de afwijking mag in totaal deze termijn niet overschrijden.
– In lid 7 wordt geregeld dat bij cao of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan uitsluitend kan worden afgeweken voor in die cao of regeling te bepalen functies. Het kan hierbij uitsluitend om functies gaan waarbij de daaraan verbonden werkzaamheden incidenteel van aard zijn en geen vaste omvang kennen.
– In lid 8 wordt geregeld dat bij regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden bepaald dat het voor bepaalde bedrijfstakken of onderdelen daarvan niet mogelijk is van het eerste lid af te wijken. Een dergelijke regeling zal tot stand kunnen komen na een verzoek daartoe van de Stichting van de Arbeid.
– Lid 10 regelt dat een beding dat in strijd is met artikel 7:628 BW nietig is.
Artikel 7:646 BW (en 7:647) BW (Gelijke behandeling man en vrouw):
– Artikel 7:647 BW komt te vervallen onder verplaatsing van het vijfde lid van dat artikel naar lid 11 van artikel 7:646 BW.
– Lid 11: ‘de werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op lid 1 of ter zake bijstand heeft verleend’.
Artikel 7:648 BW (Gelijke behandeling deeltijdwerkers):
– De tweede en derde zin van het eerste lid van het huidige artikel 7:648 BW komen te vervallen omdat in het nieuwe artikel 7:681 BW (centraal) wordt geregeld wanneer een opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigbaar is (dus ook indien een opzegging in strijd is met de artikelen 7:646, 7:648 en 7:649 BW).
Artikel 7:649 BW (Onderscheid o.g.v. tijdelijk karakter arbeidsovereenkomst):
– Lid 2 van het huidige artikel 7:649 BW vervalt om dezelfde reden als de wijziging in artikel 7:648 BW.
Artikel 7:652 BW (Proeftijd):
– In lid 4 wordt voorgesteld te regelen dat er geen proeftijd is toegestaan in geval van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor ten hoogste zes maanden.
– In lid 5 is geregeld dat indien een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor langer dan zes maanden maar korter dan twee jaren, een proeftijd van ten hoogste één maand mag worden overeengekomen.
– In lid 8 wordt geregeld wanneer proeftijdbedingen nietig zijn: (1) de proeftijd niet voor beide partijen gelijk is; (2) beding langer dan een maand in arbeidsovereenkomst voor korter dan twee jaren; (3) proeftijd op langer dan twee maanden gesteld; (4) opvolgende arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever of met een andere (opvolgende) werkgever; (5) in een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor ten hoogste zes maanden.
Artikel 7:653 BW (Concurrentiebeding):
– Lid 1: een concurrentiebeding is slechts geldig als er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
– Lid 2: een concurrentiebeding kan alleen in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden opgenomen, indien uit de bij dat beding opgenomen schriftelijke motivering van de werkgever blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Indien geen motivering is opgenomen, is het beding nietig.
– Lid 3: het beding is (1) geheel of gedeeltelijk vernietigbaar indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld of (2) het beding is geheel vernietigbaar indien het beding niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.
– In lid 4 wordt geregeld dat de werkgever aan een concurrentiebeding geen rechten kan ontlenen, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
– In lid 5 wordt geregeld dat indien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, de werknemer geen aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in dit artikel. De zinsnede uit het huidige lid 5 dat de vergoeding in termijnen wordt betaald vervalt.
Artikel 7:656 BW (Getuigschrift):
– Lid 4: omdat de term ‘schadeplichtig’ niet langer gehanteerd wordt, is in dit artikel gerefereerd aan de door de werknemer aan de werkgever in verband met de opzegging verschuldigde vergoeding.
Artikel 7:665 BW (Wijziging van omstandigheden ten nadele van werknemer):
– Artikel 7:665 wordt aangepast omdat artikel 7:685 BW wordt gewijzigd. In het nieuwe artikel is bovendien meer aangesloten bij de letterlijke tekst van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2001/23/EG. Geregeld wordt dat, indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd door of op verzoek van de werknemer omdat de overgang van onderneming een aanmerkelijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer tot gevolg heeft, de arbeidsovereenkomst wordt geacht te zijn beëindigd op initiatief van de werkgever. Dit geldt ook in geval van mogelijke verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd. De werkgever is dan een transitievergoeding (en eventueel een additionele vergoeding op grond van art. 7:673 BW) verschuldigd.
Artikel 7:667 BW (Einde van rechtswege en opzegging):
– Lid 1: de verwijzing naar ‘het gebruik’ vervalt, omdat die woorden uitsluitend betekenis hebben voor het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst wegens het bereiken van de pensioenleeftijd van de werknemer en met dit wetsvoorstel wordt voorzien in een specifieke regeling in die situatie (art. 7:669 lid 3 BW).
– In lid 4 wordt (1) de tussenpoos in de zogenoemde ‘Ragetlie-regel’ verlengd naar zes maanden; (2) verwezen naar artikel 7:671 lid 1 onderdeel a tot en met f BW en niet naar de aanhef van dit artikel, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat een opzegging met instemming van de werknemer, wél onder de Ragetlie-regel valt, evenals een einde van de arbeidsovereenkomst dat is bewerkstelligd door middel van een beëindigingsovereenkomst (art. 7:670b BW); (3) geregeld dat de Ragetlie-regel niet van toepassing is als de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is geëindigd wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer.
Artikel 7:668 BW (Wettelijke aanzegtermijn arbeidsovereenkomst bepaalde tijd):
– Lid 1: de werkgever is verplicht de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (de aanzegplicht). Bij voortzetting moet de werkgever aangeven onder welke voorwaarden dit gebeurt. Deze verplichtingen gelden in geval van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigt (op grond van art. 7:667 lid 1 BW) en derhalve niet indien op grond van artikel 7:667 lid 2 BW voorafgaande opzegging nodig is.
– Lid 2: de aanzegplicht geldt niet indien (1) het een arbeidsovereenkomst betreft waarbij het einde niet op een kalenderdatum is gesteld; (2) in geval van een arbeidsovereenkomst korter dan zes maanden (ook niet bij verlenging); (3) in geval van een arbeidsovereenkomst met een uitzendbeding.
– In lid 3 wordt geregeld dat de werkgever een vergoeding is verschuldigd ter hoogte van het loon van de werknemer voor een maand indien de werkgever zich niet aan de aanzegplicht houdt. Indien hij te laat is, is hij een pro rato vergoeding verschuldigd. De vergoeding is niet verschuldigd bij faillissement, surseance van betaling en schuldsanering.
– Lid 4: indien de werkgever niet heeft aangegeven de arbeidsovereenkomst al dan niet te willen voortzetten of niet onder welke voorwaarden hij wil voortzetten, en er wordt doorgewerkt na de einddatum van de arbeidsovereenkomst, wordt de arbeidsovereenkomst geacht te zijn voortgezet voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden.Deze bepaling heeft met ingang van het beoogde tijdstip van inwerkingtreding van de wet op 1 juli 2014 onmiddellijke werking. In een overgangsbepaling is geregeld dat het nieuwe artikel nog niet geldt voor arbeidsovereenkomsten die binnen een maand na inwerkingtreding eindigen.
Artikel 7:668a BW (Ketenregeling):
– In lid 1 worden (1) de tussenpozen verlengd (van drie maanden) naar zes maanden; (2) de periode van 36 maanden verkort tot 24 maanden. Deze wijziging leidt ertoe dat vanaf het moment dat de reeks van arbeidsovereenkomsten een periode van 24 maanden heeft overschreden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.
– Lid 5: afwijking bij cao of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. is uitsluitend toegestaan om van de periode van 24 maanden (tot maximaal 48 maanden), en van het aantal arbeidsovereenkomsten van drie (tot maximaal 6) af te wijken. Afwijking is mogelijk (1) bij uitzendovereenkomsten of (2) indien de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering dit vereist. Van de verlenging van de tussenpoos naar zes maanden kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken.
– In lid 6 wordt de mogelijkheid opgenomen om bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan af te wijken van het tweede lid (opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers die geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn).
– In lid 7 is geregeld dat bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan ten aanzien van een bestuurder van een rechtspersoon kan worden afgeweken van de ketenbepaling.
– In lid 8 wordt de mogelijkheid gecreëerd om artikel 7:668a BW bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan voor bepaalde functies in een bedrijfstak buiten toepassing te verklaren (alleen voor functies die in een ministeriële regeling zijn opgenomen).
– Lid 9: arbeidsovereenkomsten die in het kader van educatie worden aangegaan, kunnen worden uitgezonderd.
– In lid 10 wordt geregeld dat artikel 7:668a BW niet van toepassing is op een werknemer die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en indien de gemiddelde omvang van de door hem feitelijk verrichte arbeid ten hoogste twaalf uur per week bedraagt.
Het nieuwe artikel 7:668a BW dat regelt wanneer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, geldt pas als er op of na 1 juli 2014 een (opvolgende) arbeidsovereenkomst wordt gesloten uiterlijk zes maanden na de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomst.Het nieuwe recht geldt tevens voor de tussenpoos die voorafgaat aan de arbeidsovereenkomst die na 1 juli 2014 is gesloten, maar niet voor eerdere tussenpozen. De keten is dus pas doorbroken als de tussenpoos die ligt tussen de op of na 1 juli aangegane arbeidsovereenkomst en de arbeidsovereenkomst die daaraan voorafging, langer is dan zes maanden. Voor tussenpozen tussen eerdere arbeidsovereenkomsten blijft gelden dat de keten doorbroken is (en blijft) bij een tussenpoos van langer dan drie maanden.
Als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 juli 2014 nog niet de periode van 24 maanden is gepasseerd, maar dit wel tijdens de duur van deze arbeidsovereenkomst gebeurt, dan blijft het oude artikel 7:668a BW van toepassing op die arbeidsovereenkomst.
Artikel 7:669 BW (Opzegging arbeidsovereenkomst door werkgever):
– In lid 1 wordt geregeld dat de werkgever voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst een redelijke grond dient te hebben. Bovendien moet hij aannemelijk maken dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt (bijv. verwijtbaar handelen van de werknemer).
– In lid 2 wordt limitatief opgesomd wat onder een redelijke grond wordt verstaan. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst weliswaar opzeggen indien hij een grond heeft als hier opgesomd, maar voor alle gronden geldt dat rechtsgeldig opzeggen alleen mogelijk is in de situatie dat de werknemer daarmee instemt (zie art. 7:671 lid 1 BW) en de daar geformuleerde uitzonderingen op de instemmingsverplichting.
– Als de werkgever deze instemming niet krijgt, of vooraf geen instemming wenst te vragen van zijn werknemer, moet hij ten aanzien van de gronden a en b het UWV of de commissie schriftelijk om toestemming verzoeken om te mogen opzeggen (zie art. 7:671a BW). Ten aanzien van de gronden c tot en met h zal hij de kantonrechter moeten verzoeken om de arbeidsovereenkomst te ontbinden (zie art. 7:671b BW).
– In lid 3 is geregeld dat de werkgever de arbeidsovereenkomst van een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt tegen of na die dag mag opzeggen. Het gaat hierbij om de AOW-leeftijd, of om de leeftijd waarop de werknemer op grond van een andere regeling – bijvoorbeeld een cao-regeling – recht krijgt op pensioen. Dit kan een lagere of hogere leeftijd zijn dan de leeftijd waarop recht op AOW ontstaat, waarbij de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL) van toepassing blijft.
– Op grond van lid 4 worden door de minister van SZW regels gesteld met betrekking tot de redelijke grond voor opzegging, herplaatsing en de redelijke termijn (bijv. regels voor het bepalen van de volgorde van opzegging bij bedrijfseconomische omstandigheden, waaronder het afspiegelingsbeginsel).
– In lid 5 wordt de afwijking bij cao geregeld van het afspiegelingsbeginsel (bijv. bij instellen van een onafhankelijke ontslagcommissie met eigen regels).
– In lid 6 is geregeld dat dit artikel niet van toepassing is op een opzegging tijdens de proeftijd.
Artikel 7:670 BW (Opzegverboden):
– In lid 1 onderdeel b wordt de verwijzing naar het verzoek als bedoeld in artikel 6 van het BBA 1945 vervangen. In plaats daarvan wordt geregeld dat het opzegverbod bij ziekte niet geldt indien de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het volledige verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 7:671a lid 1 of 2 BW door het UWV of de in dat artikel bedoelde commissie is ontvangen. Als er sprake is van een ziekmelding die heeft plaatsgevonden nadat de werkgever een verzoek om ontbinding heeft gedaan, staat dit een ontbinding niet in de weg (art. 7:671b lid 7 BW).
– In lid 10 wordt geregeld dat de arbeidsovereenkomst van de bepaalde groepen van werknemers (OR-leden e.d.) niet kan worden opgezegd.
– Lid 14: afwijking bij cao van het verbod om tijdens ziekte op te zeggen is niet meer mogelijk, afwijking bij cao kan alleen als het ziet op lid 3 (vervulling dienstplicht).
Artikel 7:670a BW (Uitzondering opzegverboden):– In lid 1 wordt geregeld hetgeen in het huidige artikel 7:670b lid 3 BW is geregeld (niet-nakoming re-integratieverplichtingen).
– Lid 2 regelt wanneer de opzegverboden, bedoeld in artikel 7:670 lid 1 tot en met 4 en 10 BW (‘tijdens-opzegverboden’ en dus niet de ‘wegens-opzegverboden’) niet van toepassing zijn.
– In lid 3 is geregeld in welke gevallen de opzegverboden niet van toepassing zijn bij een opzegging wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Voorwaarde is dat de werknemer ten minste 26 weken werkzaam geweest moet zijn op de arbeidsplaats die vervalt.
– Lid 5 en 7 voorzien in de mogelijkheid voor een werknemer om binnen veertien dagen, indien hij heeft ingestemd met een opzegging door de werkgever, die instemming schriftelijk weer te herroepen. Wil een werknemer gebruik maken van dit recht dan geldt, op grond van de zogenaamde ‘ontvangsttheorie’ zoals neergelegd in artikel 3:37 BW, dat het aan hem is om te stellen en indien nodig te bewijzen dat hij zijn instemming tijdig heeft herroepen.
– Lid 6: na een herroeping van de instemming wordt de opzegging geacht niet te hebben plaatsgevonden.
Artikel 7:670b BW (Einde arbeidsovereenkomst door beëindigingsovereenkomst):
– Naast de hierboven besproken herroeping van de instemming wordt ook een bedenktermijn van 14 dagen voor de werknemer geïntroduceerd nadat een beëindigingsovereenkomst is gesloten. Omdat er bij een overeenkomst, in tegenstelling tot het herroepen van de instemming, sprake is van een tweezijdige rechtshandeling, kan de werknemer deze overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden (zie art. 6:265 e.v. BW). Als de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd na een ten overstaan van de rechter getroffen schikking (‘op de gang’) zal het einde van de arbeidsovereenkomst doorgaans in de rechterlijke uitspraak zijn belichaamd (de ontbinding) en wordt hooguit nog een beëindigingsovereenkomst gesloten voor de ‘losse eindjes’ (vakantiegeld, vakantiedagen, bonus, kwijting e.d.). Op een dergelijke beëindigingsovereenkomst is deze bepaling niet van toepassing, en dus evenmin de veertiendagentermijn, omdat hier geen sprake is van een overeenkomst die de arbeidsovereenkomst doet eindigen.
Artikel 7:671 BW (Schriftelijke instemming werknemer met opzegging):
– Lid 1: de werkgever kan (mits hij een redelijke grond heeft) de arbeidsovereenkomst opzeggen met instemming van de werknemer. Met die instemming is de opzegging rechtsgeldig. Als de werknemer niet instemt of de werkgever wil de werknemer niet vragen in te stemmen, dan kan de werkgever in plaats van instemming toestemming vragen aan het UWV of aan een daartoe bij cao in het leven geroepen commissie (zie artikel 7:671a BW). Ook heeft de werkgever geen instemming nodig van de werknemer (1) indien hij opzegt tijdens de proeftijd; (2) wegens een dringende reden; (3) als er sprake is van huishoudelijk personeel; of (4) als er sprake is van een bestuurder van een NV, BV of een vergelijkbare vennootschap opgericht naar buitenlands recht; (5) op of na het bereiken van de voor de werknemer geldende pensioenleeftijd.
– Als een werkgever opzegt in strijd met lid 1 wordt in het nieuwe artikel 7:681 BW geregeld wat daarop de sanctie is: verzoek van de werknemer aan de kantonrechter om de opzegging te vernietigen of hem een billijke vergoeding toe te kennen. Indien een werkgever wel rechtsgeldig kan opzeggen maar bijvoorbeeld niet de juiste opzegtermijn in acht neemt, wordt in artikel 7:672 lid 9 BW de sanctie geregeld in geval van een overeenkomst voor onbepaalde tijd of een overeenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds mag worden opgezegd. Artikel 7:677 lid 4 BW regelt wat de sanctie is indien het een overeenkomst voor bepaalde tijd betreft die niet tussentijds kan worden opgezegd.
– De werknemer die instemt met het opzeggen van de arbeidsovereenkomst is niet verwijtbaar werkloos (art. 24 lid 2b WW).
– Dit artikel is niet van toepassing op opzegging in geval van faillissement en schuldsaneringsregeling.
– Lid 2: idem als artikel 7:670a lid 3 en 7:670b lid 1 (bedenktijd) BW.
Artikel 7:671a BW (Preventieve ontslagtoets UWV):
– Lid 1 regelt dat de werkgever – bij het ontbreken van de instemming van de werknemer – toestemming moet vragen aan het UWV indien hij de arbeidsovereenkomst wil op zeggen op grond van artikel 7:669 lid 2a of b BW.
– Lid 2: indien er bij cao een commissie is ingesteld doet de werkgever het verzoek om toestemming aan deze commissie (geen bestuursrechtelijk orgaan dus Awb niet van toepassing).
– In lid 3 worden de eisen genoemd waaraan de partijen bij de cao die de commissie instellen moeten voldoen: (1) leden moeten als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam zijn; (2) de werknemersvereniging moet ten minste twee jaar in het bezit zijn van volledige rechtsbevoegdheid.
– Lid 4: in de beslissing op het verzoek door UWV of de commissie dient te worden aangegeven op welk moment het volledige verzoek is ontvangen, alsmede de datum van het door hen genomen besluit. Dit is van belang in verband met artikel 7:672 lid 4 BW: de opzegtermijn kan worden bekort met de proceduretijd (met een minimum van één maand).
– In lid 5 wordt geregeld dat de toestemming om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op te zeggen wegens bedrijfseconomische omstandigheden alleen gegeven wordt nadat de werkgever de arbeidsrelatie heeft beëindigd met personen die niet op grond van een zodanige arbeidsovereenkomst, op grond van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a BW, of op grond van een inleenovereenkomst op die arbeidsplaatsen werkzaam zijn, tenzij bij regeling van onze minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid anders is bepaald (in deze regeling zullen de werknemers die werkzaam zijn op basis van een payrollovereenkomst worden opgenomen om hen vergelijkbare bescherming te bieden als de reguliere werknemers en zal een regeling worden getroffen voor de tijdelijke overeenkomsten met een resterende looptijd van zes maanden of langer).
– Lid 6: de werkgever moet binnen vier weken gebruik maken van de toestemming en hij moet bij de opzegging de reden voor de opzegging vermelden.
– Op grond van lid 7 wordt bij ministeriële regeling bepaald hoe de procedure tot het verkrijgen van toestemming bij het UWV wordt ingericht.
Artikel 7:671b BW (Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek werkgever):
– Lid 1 bepaalt in welke gevallen een werkgever zich kan wenden tot de kantonrechter om een arbeidsovereenkomst te laten ontbinden: (1) als hij geen instemming van de werknemer heeft als bedoeld in artikel 7:671a BW; (2) om een reden als bedoeld in artikel 7:669 lid 2 onderdeel c tot en met h BW (persoonsgebonden grond), maar ook bijvoorbeeld i.g.v. een dringende reden; (3) als UWV de toestemming heeft geweigerd; en (4) indien het een arbeidsovereenkomst betreft zonder tussentijdse opzegbevoegdheid.
– In lid 2 is geregeld dat voor de toewijzing van een ontbindingsverzoek nodig is dat aan de in artikel 7:669 BW bedoelde voorwaarden voor opzegging is voldaan en dat er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW gelden.
– Lid 3: bij een verzoek om ontbinding wegens bedrijfseconomische redenen (art. 7:669 lid 2 onderdeel a) is artikel 7:671a lid 5 BW van overeenkomstige toepassing.
– Lid 4 en 5 stellen een formele eis waaraan dient te zijn voldaan wil de ontbinding kunnen worden uitgesproken indien een werkgever zich beroept op grond c (het bij regelmaat niet kunnen verrichten van de bedongen arbeid als gevolg van ziekte of gebreken van de werknemer met voor de bedrijfsvoering onaanvaardbare gevolgen) of grond e (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren) en dat beroep ‘inkleurt’ door te stellen dat de werknemer zich niet aan de eisen van artikel 7:660a BW heeft gehouden. In lid 5 wordt als eis gesteld dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW, of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt, en dat de werkgever dient te beschikken over een deskundigenverklaring (van voldoende recente datum) als bedoeld in artikel 7:629a BW. Dit laatste geldt ook in lid 4.
– In lid 6 wordt geregeld dat, indien de werkgever de ontbinding verzoekt op grond van artikel 7:669 lid 2 onderdeel b tot en met h BW en een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 tot en met 4 en 10 BW (de absolute opzegverboden), of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden, een ontbinding in afwijking van lid 2 toch kan worden uitgesproken, als (1) het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben (‘vergewisplicht’); (2) er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen.
– Lid 8: de rechter dient het tijdstip te bepalen waartegen de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Dit is het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij opzegging zou zijn geëindigd, waarbij de proceduretijd bij de kantonrechter in aftrek wordt gebracht, tenzij er sprake is van, kort gezegd, ernstige verwijtbaarheid aan de kant van de werkgever, in welk geval de aftrek achterwege moet blijven, met een minimum van één maand. Partijen doen er goed aan de kantonrechter tijdens de procedure te informeren over de door de werkgever jegens de werknemer in acht te nemen opzegtermijn. De rechter kan tegen een eerder tijdstip ontbinden of een additionele vergoeding toekennen bij ernstige verwijtbaarheid van werknemer respectievelijk werkgever (slechts in zeer uitzonderlijke situaties).
– In lid 9 wordt geregeld dat, indien het verzoek een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft zónder tussentijdse opzegmogelijkheid, de rechter het tijdstip dient te bepalen waartegen de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden en welke vergoeding hij daarbij kan toekennen aan werknemer.
Artikel 7:671c BW (Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek werknemer):
– Lid 1 is het spiegelbeeld van artikel 7:671b BW en regelt wanneer de werknémer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan verzoeken, te weten indien sprake is van een dringende reden of omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na een korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter bepaalt dan wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt.
– Lid 2 maakt het voor de rechter mogelijk om, wanneer het verzoek een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd betreft of voor bepaalde tijd met tussentijdse opzegmogelijkheid, de werknemer (naast de transitievergoeding) een billijke vergoeding toe te kennen indien sprake is van ernstige verwijtbaarheid van werkgever.
– Lid 3 regelt welke vergoedingen de rechter kan toekennen als er sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd die geen tussentijdse opzegmogelijkheid kent.
Onderdeel c geeft de rechter de mogelijkheid de werkgever een vergoeding toe te kennen van ten hoogste het bedrag dat nog aan loon verschuldigd zou zijn geweest als de overeenkomst van rechtswege was geëindigd.
Artikel 7:672 BW (Opzegtermijnen):
– Lid 4 regelt dat de opzegtermijn van de werkgever wordt verkort met de termijn gelegen tussen het moment waarop het UWV of de commissie het volledige verzoek, bedoeld in artikel 7:671a BW, heeft ontvangen en de dag waarop de toestemming is verleend. Het UWV of de commissie neemt de datum waarop het volledige verzoek om toestemming is ontvangen op in het advies (art. 7:671a lid 4 BW) met een minimum van één maand. De regeling in het huidige zevende lid op grond waarvan bij cao kan worden afgeweken van deze minimale termijn van een maand wordt geschrapt.
– In lid 8 wordt een verwijzing naar artikel 7:683 BW (nieuw) toegevoegd, nu ook in die nieuwe bepaling een regeling van herstel van de arbeidsovereenkomst wordt voorgesteld.
– Lid 9: de werkgever of werknemer die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is een vergoeding verschuldigd ter hoogte van het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
– Lid 10 regelt de matigingsbevoegdheid voor de kantonrechter.
Artikel 7:673 BW (Transitievergoeding):
– Artikel 7:673 BW regelt de voorwaarden waaronder een werknemer recht heeft op een transitievergoeding bij het einde van de arbeidsovereenkomst. De transitievergoeding kan (maar hoeft niet te) worden aangewend voor scholing of begeleiding naar ander werk. De in deze bepaling opgenomen regeling vormt een bodem: partijen mogen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een hogere transitievergoeding overeenkomen, maar geen lagere.
– Lid 1: de werknemer heeft recht op een transitievergoeding indien hij ten minste 24 maanden in dienst is bij de werkgever en de arbeidsovereenkomst (1) eindigt na opzegging door de werkgever; (2) eindigt na ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever; (3) na een einde van rechtswege (bij een contract voor bepaalde tijd), op initiatief van de werkgever niet is voortgezet (hij biedt geen nieuw contract aan), tenzij sprake is van ernstige verwijtbaarheid van de werknemer (zie lid 7); (4) door de werknemer wordt opgezegd, op zijn verzoek door de kantonrechter wordt ontbonden of de werknemer een aangeboden voortzetting afslaat als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
– Lid 2 regelt de hoogte van de transitievergoeding: over de eerste 120 maanden van de arbeidsovereenkomst is de vergoeding gelijk aan een zesde van het in geld vastgestelde loon per maand voor elke periode van zes maanden dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd en gelijk aan een kwart van het in geld vastgestelde loon per maand voor elke daaropvolgende periode van zes maanden. De transitievergoeding bedraagt maximaal € 75.000 of een bedrag gelijk aan ten hoogste het loon over twaalf maanden indien dat loon hoger is dan dat bedrag.
– Lid 3 regelt de indexering van het bedrag van € 75.000.
– Lid 4 regelt op welke wijze de duur van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet worden berekend: (1) maanden waarin < dan 12 uur door werknemers < 18 jaar is gewerkt tellen niet mee en (2) samentelling van opvolgende arbeidsovereenkomsten (ook bij opvolgend werkgeverschap) (art. 7:668a BW).
– Lid 5 voorkomt dat een dienstverband tweemaal tot een recht op transitievergoeding leidt: een eventueel eerder uitgekeerde vergoeding wordt afgetrokken van de door toepassing van de samentelregel berekende latere transitievergoeding.
– In lid 6 wordt geregeld dat bepaalde tijdens het dienstverband gemaakte kosten (bijv. scholing) kunnen worden afgetrokken van het uiteindelijk verschuldigde bedrag aan transitievergoeding op grond van lid 2.
– Lid 7: de transitievergoeding is niet verschuldigd: (1) als de werknemer < 18 jaar en gemiddeld < 12 uur per week heeft gewerkt; (2) als de werknemer de pensioengerechtigde teeftijd heeft bereikt; (3) als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
– Lid 8 geeft de rechter de mogelijkheid om de transitievergoeding toch geheel of gedeeltelijk aan de werknemer toe te kennen indien het niet toekennen ervan gezien de specifieke omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
– Lid 9 ziet op de situatie dat dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet, omdat de werkgéver ernstig verwijtbaar handelen of nalaten kan worden verweten. De rechter kan naast de transitievergoeding een additionele vergoeding toekennen aan de werknemer. Ook kan de rechter in een dergelijk geval een billijke vergoeding toekennen indien de werknemer geen recht had op een transitievergoeding op grond van dit artikel, bijvoorbeeld omdat hij te kort in dienst was of nog geen achttien is. Lid 9 is ook van toepassing in geval van een einde van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding die de werkgever is te verwijten of de situatie waarin een werknemer de arbeidsovereenkomst (al dan niet onverwijld) heeft opgezegd wegens een dringende reden.
Artikel 7:673a BW (Transitievergoeding oudere werknemers en kleine werkgevers):
– Dit artikel regelt een tijdelijke uitzondering (tot 1 januari 2020) op de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding ten gunste van werknemers die bij het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst 50 jaar of ouder zijn. Alleen indien de duur van hun arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:673 BW meer dan tien jaar bedraagt, geldt dat over elke periode van zes maanden waarin een werknemer nadat hij 50 was in dienst was bij de werkgever, deze laatste de helft van het laatstverdiende loon per maand verschuldigd is.
– Lid 2 regelt dat dit artikel niet van toepassing is op werkgevers die gemiddeld minder dan 25 werknemers in dienst hadden in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de desbetreffende arbeidsovereenkomst eindigt. De werkgever is dan dus nog wel de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW verschuldigd, omdat dat artikel voor het overige integraal op deze categorie oudere werknemers van toepassing blijft.
– Lid 3 maakt het mogelijk om bij ministeriële regeling werkgevers aan te wijzen waarop het tweede lid niet van toepassing is.
Artikel 7:673b BW (Transitievergoeding en cao):
– Dit artikel regelt dat bij cao afspraken kunnen worden gemaakt waardoor het wettelijke recht op transitievergoeding niet van toepassing is mits de werknemers aanspraak kunnen maken op een gelijkwaardige voorziening gericht op het voorkomen van werkloosheid of het bekorten van de periode van werkloosheid. Onder een ‘gelijkwaardige voorziening’ moet worden verstaan een voorziening in geld of in natura (of een combinatie daarvan) die het equivalent vormt van hetgeen waarop een werknemer aanspraak kan maken op grond van de wettelijke regeling inzake de transitievergoeding.
Artikel 7:673c BW (Transitievergoeding bij faillissement en surseance van betaling):
– Dit artikel regelt dat de transitievergoeding niet langer verschuldigd is indien de werkgever failliet gaat, indien aan hem surseance van betaling is verleend, of wanneer de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op de werkgever wordt toegepast.
– Lid 2: onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, kan de werkgever ervoor kiezen de transitievergoeding in termijnen te betalen.
Artikel 7:676 BW (Opzegging tijdens proeftijd):
– Artikel 7:676 BW wordt aangepast. Aangezien de huidige artikelen 7:681 en 7:682 BW met dit wetsvoorstel een heel andere inhoud krijgen, is een verwijzing naar die artikelen niet zinvol meer. Bij opzegging tijdens de proeftijd dient de werkgever dat desgevraagd te motiveren. Deze verplichting volgt thans uit het huidige artikel 7:669 BW.
– Tijdens de proeftijd is opzeggen met onmiddellijke ingang mogelijk. Er is derhalve geen vergoeding op grond van artikel 7:672 lid 9 BW verschuldigd.
Artikel 7:677 BW (Opzegging om een dringende reden):
– Artikel 7:677 BW regelt de rechten en plichten in het kader van het opzeggen wegens een dringende reden.
– De nieuwe tekst bepaalt dat niet alleen de opzegging maar ook de mededeling van de reden ‘onverwijld’ moet geschieden.
– Lid 2: onder het huidige recht kan bij een (rechtsgeldig) ontslag op staande voet, de partij die aan de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen ter compensatie ofwel de daadwerkelijk geleden schade ofwel een gefixeerde schadevergoeding vorderen (conform de huidige art. 7:680 en 7:681 BW). Vanwege het verval van de kennelijk onredelijke ontslagprocedure wordt dit gewijzigd. De hoogte van die vergoeding is op grond van dit voorstel afhankelijk van het soort contract dat wordt opgezegd. Dit wordt in lid 3 geregeld.
– In lid 3 onderdeel a wordt de hoogte van die vergoeding geregeld als het gaat om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die tussentijds kan worden opgezegd. Als het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd, volgt de hoogte van die vergoeding uit onderdeel b van dit lid.
– Lid 4: indien sprake is van
– Als er sprake is van een niet rechtsgeldig ontslag op staande voet door de werkgever bij een arbeidsovereenkomst
Artikel 7:680 BW (vervalt):
– Artikel 7:680 BW vervalt en is deels opgenomen in artikel 7:672 lid 9 en 10 (nieuw) BW en deels in artikel 7:677 lid 4 (nieuw) BW.
Artikel 7:681 BW (Verzoek tot vernietiging opzegging of billijke vergoeding):
– Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de werkgever in strijd heeft gehandeld met de door hem in acht te nemen regels, kan hij, al naar gelang het verzoek van de werknemer, de opzegging vernietigen of aan de werknemer een vergoeding toekennen.
– De procedures bij de kantonrechter worden door een verzoekschrift aanhangig gemaakt. Dat geldt niet alleen voor het verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst maar ook als de werknemer de opzegging door de kantonrechter wil laten vernietigen (bijv. wegens het ontbreken van zijn schriftelijke instemming of van toestemming van UWV), hij de overeenkomst wil laten herstellen, of een geschil over bijvoorbeeld het recht op of de hoogte van een vergoeding wil laten beslechten door de rechter. De werknemer dient een dergelijk verzoek te doen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dit is slechts anders bij een geschil over de hoogte van de transitievergoeding. In dat geval geldt een termijn van drie maanden. De termijn waarbinnen een verzoek bij de rechter moet worden gedaan betreft een vervaltermijn en niet een verjaringstermijn (die laatste kan worden gestuit, een vervaltermijn niet). Er is voor gekozen om de bevoegdheid om te vernietigen bij de rechter neer te leggen en niet bij de werknemer. Het is daarmee niet meer mogelijk om ook buitengerechtelijk te vernietigen.
– Lid 1 onderdeel a regelt dat de kantonrechter de opzegging door de werkgever op verzoek van de werknemer kan vernietigen, of op zijn verzoek in plaats daarvan een vergoeding kan toekennen, indien er is opgezegd in strijd met artikel 7:670 BW, een naar aard en strekking vergelijkbaar opzegverbod in een ander wettelijk voorschrift of artikel 7:671 BW. Opzegverboden in andere wetten vallen hier dus ook onder.
– Lid 1 onderdeel b regelt dat als de werkgever heeft opgezegd in strijd met de discriminatieverboden zoals opgenomen in de artikelen 7:646, 7:648 en 7:649 BW of met de discriminatieverboden zoals onder meer opgenomen in de AWGB, de WGBH/CZ, de WGBL en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de werknemer de rechter kan verzoeken om de opzegging te vernietigen of de rechter kan verzoeken hem een billijke vergoeding toe te kennen.
– Lid 1 onderdeel c geeft de mogelijkheid voor de werknemer om de rechter te verzoeken de opzegging te vernietigen als de werkgever, niet zijnde een uitzendwerkgever als bedoeld in artikel 7:690 BW, binnen 26 weken nadat hij heeft opgezegd de zogenaamde wederindiensttredingsvoorwaarde schendt (zie art. 7:669 lid 2 onderdeel a BW). UWV zal deze zogenaamde wederindiensttredingsvoorwaarde niet opnemen in zijn toestemming voor opzegging. In plaats daarvan is in de nieuw voorgestelde artikelen 7:681 en 7:682 BW het schenden van deze verplichting opgenomen als grond om vernietiging te verzoeken van de opzegging of herstel te verzoeken na ontbinding dan wel de rechter om het toekennen van een billijke vergoeding te verzoeken.
– Lid 1 onderdeel d bevat een vergelijkbare regeling voor de uitzendwerkgever.– Bij vernietiging van de opzegging zal de werknemer de aan hem toegekende transitievergoeding moeten terugbetalen.
Artikel 7:682 BW (Verzoek tot herstel arbeidsovereenkomst of billijke vergoeding):
– Als de werknemer meent dat hij ondanks toestemming van UWV of de commissie ten onrechte is ontslagen dan kan hij zich binnen twee maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst tot de kantonrechter wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te herstellen.
– Lid 1 onderdeel a: als de werkgever toestemming heeft en opzegt gebruikmakend van de toestemming van UWV of de commissie, bedoeld in artikel 7:671a lid 2 BW kan de werknemer als hij van oordeel is dat de toestemming ten onrechte is verleend, de rechter verzoeken om de werkgever te verplichten de arbeidsovereenkomst te herstellen.
– Lid 1 onderdeel b: als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever bij een wegens bedrijfseconomische omstandigheden met toestemming opgezegde arbeidsovereenkomst waarbij herstel in redelijkheid niet mogelijk is kan de rechter aan de werknemer op diens verzoek in plaats van herstel een billijke vergoeding toekennen.
– Lid 1 onderdeel c: als er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever waardoor de werknemer langdurig ziek is geworden, kan de rechter aan de werknemer op diens verzoek in plaats van herstel een billijke vergoeding toekennen.
– Lid 2 regelt de situatie van huishoudelijk personeel. Er dient wel een redelijke grond voor ontslag te bestaan als bedoeld in artikel 7:669 BW. Na ontslag kan de werknemer de rechter verzoeken de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen als een redelijke grond ontbreekt of aan hem een billijke vergoeding toe te kennen bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
– Lid 3 regelt de situatie van de bestuurder van een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap of een buitenlandse vennootschap (idem als lid 2) met dien verstande dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is.
– Lid 4 regelt de situatie dat werkgever de wederindiensttredingsvoorwaarde schendt. Als de kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld, dan veroordeelt hij de werkgever altijd de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van de datum waarop deze was geëindigd. Hiervoor is gekozen omdat de eerdere ontbinding door de kantonrechter (die hiermee materieel ongedaan gemaakt wordt) al onherroepelijk kan zijn geworden.
– Lid 5 bevat een vergelijkbare regeling voor de uitzendwerkgever.
– Lid 6: de rechter bepaalt op welk tijdstip de overeenkomst wordt hersteld. De rechter draagt de werkgever in de beschikking op om de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden onder dezelfde voorwaarden als de vorige. Voor de bepaling van het aantal dienstjaren tellen de dienstjaren uit de vorige arbeidsovereenkomst mee (zie art. 7:672 lid 8 BW). Ook bepaalt de rechter in zijn beschikking of een aan de werknemer toegekende transitievergoeding moet worden terugbetaald.
Artikel 7:682a BW (Ministeriële regeling wederindiensttredingsvoorwaarde):
– In de situaties waarin de wederindiensttredingsvoorwaarde, bedoeld in de artikelen 7:681 en 7:682 BW, van toepassing is, zou na ontslag van meerdere werknemers onduidelijkheid kunnen bestaan over de vraag welke werknemer nu als eerste in aanmerking moet komen voor een arbeidsplaats die weer beschikbaar komt bij de voormalige werknemer, of, als het om uitzendwerk ging, voor terbeschikkingstelling bij een derde. Artikel 7:682a BW biedt een grondslag voor een ministeriële regeling waarin dit verduidelijkt kan worden.
Artikel 7:683 BW (Hoger beroep en cassatie):
– Lid 1: er wordt geen schorsende werking verbonden aan de tenuitvoerlegging van de in dit lid bedoelde beschikkingen. Dit betekent dat als een ontbindingsverzoek wordt toegewezen, de arbeidsovereenkomst daarmee (voor dat moment) wordt beëindigd.Eveneens betekent dit dat indien, na opzegging met toestemming van UWV, een verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen of indien een verzoek tot vernietiging van de opzegging wordt toegewezen, de werknemer in dienst blijft totdat in hoger beroep of cassatie anders is beslist.
– Lid 2: hoger beroep en cassatieberoep tegen een op verzoek van de werknemer toegewezen ontbinding is slechts mogelijk ten aanzien van (de hoogte van) de in dat kader toegekende vergoeding. Herstel zal in die situaties immers niet door de werknemer worden verlangd en doorgaans evenmin door de werkgever.
– Lid 3: indien de appel- of cassatierechter tot het oordeel komt dat een ontbindingsverzoek van de werkgever ten onrechte is toegewezen of een verzoek tot vernietiging van de opzegging of tot herstel van de arbeidsovereenkomst van de werknemer ten onrechte is afgewezen, kan hij (1) de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de werknemer daarom heeft verzocht. De rechter is daarbij vrij om te bepalen met ingang van welke datum hij de overeenkomst herstelt. Doet hij dit, dan zal hij tevens voorzieningen moeten treffen voor een eventuele tussenliggende periode, aansluitend bij het specifieke geval; (2) aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. Dat kan hij doen zowel na een daartoe strekkend verzoek van de werknemer als ambtshalve. Doet hij dit ambtshalve, dan doet hij er – teneinde voldoende geïnformeerd te zijn – verstandig aan partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over (de wenselijkheid en hoogte van) de billijke vergoeding.
– Lid 4 regelt dat het bepaalde in artikel 7:682 lid 6 BW in situatie 1 van lid 3 van overeenkomstige toepassing is. Verwezen wordt naar de toelichting op dat artikellid.
– Lid 5 en 6 regelen de spiegelbeeldige situatie waarin in hoger beroep of cassatie wordt geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft voortgeduurd. In het geval bedoeld in lid 5, bepaalt de rechter op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt – een ontbinding met terugwerkende kracht is niet toegestaan –, waarbij het hem vrijstaat een billijke (additionele) vergoeding aan de werknemer toe te kennen. In de gevallen bedoeld in lid 6 bepaalt de rechter in hoger beroep of cassatie op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarbij is het de appel- of cassatierechter niet toegestaan om een beschikking van de kantonrechter houdende een vernietiging van de opzegging te vernietigen, omdat de opzegging zelf dan zou herleven, hetgeen per saldo zou neerkomen op een (door het nieuwe stelsel niet beoogde) einddatum in het verleden.
Artikel 7:685 BW (Grondslag AMvB inzake in geld vastgesteld loon):
– Dit artikel bevat een delegatiebepaling op grond waarvan bij AMvB nadere regels zullen worden gesteld met betrekking tot het nieuw in artikel 7:673 BW geïntroduceerde begrip ‘in geld vastgestelde loon’. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de looncomponenten uit de kantonrechtersformule.
Artikel 7:686a BW (Procesregeling):
– Lid 1 regelt dat de wettelijke rente over het bedrag van de vergoeding, bedoeld in de artikelen 7:672 lid 9 en 7:677 lid 2 en 4 BW wordt gerekend vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente over het bedrag van de transitievergoeding, bedoeld in de artikelen 7:673, 7:673a en 7:673c BW, wordt gerekend vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
– Lid 2: een geding op grond van de artikelen 7:672 lid 9, 7:673, 7:673a en 7:677 BW of bij of krachtens de artikelen 7:673b en 7:673c BW ingeleid met een verzoekschrift.– Geschillen over de artikelen 7:671b, 7:671c, 7:672 lid 9, 7:673, 7:673a, 7:673b, 7:673c, 7:677, 7:681 en 7:682 BW worden ingeleid met een verzoekschrift. Voor de artikelen 7:672 lid 9, 7:673, 7:673a, 7:673b, 7:673c en 7:677 BW blijkt dat uit het tweede lid. Voor de artikelen 7:671b, 7:671c, 7:681 en 7:682 BW blijkt dat uit de formulering van de desbetreffende artikelen. Voorstelbaar is dat er met het in die artikelen bepaalde verband houdende geschillen bestaan, zoals een vordering tot betaling van achterstallig loon, die met een dagvaarding moeten worden ingeleid.
– Lid 3 regelt dat in gedingen op grond van de artikelen 7:671b, 7:671c, 7:672 lid 9, 7:673, 7:673a, 7:673b, 7:673c, 7:677 lid 4 en 5, 7:681 en 7:682 BW de daarmee verband houdende vorderingen met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding worden ingeleid. De met elkaar samenhangende geschilpunten kunnen op grond van de voorgestelde bepaling dus in één gerechtelijke procedure worden beslecht. Het gaat daarbij om alle mogelijke vorderingen die bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst of herstel daarvan kunnen worden ingesteld, zoals een vordering uit achterstallig loon, uit hoofde van een tussen partijen aangegaan concurrentiebeding of rond (de terugbetaling van) een aan de werknemer toegekende transitievergoeding. Ook kunnen in dat verband bij verweerschrift incidentele verzoeken worden gedaan. Zodoende wordt een dubbele rechtsgang voorkomen. Dat scheelt tijd en geld.
– Lid 4 regelt de termijnen waarna de bevoegdheid om de rechter iets te verzoeken vervalt. Indien deze termijnen verstrijken, zal de rechter de verzoeker niet ontvankelijk verklaren. Voor verzoeken die verband houden met de transitievergoeding geldt een termijn van drie maanden. Deze termijn is een maand langer dan de termijn die voor overige verzoeken geldt. Daarvoor is gekozen, omdat in het eerste lid is geregeld dat de wettelijke rente over de transitievergoeding na een maand verschuldigd is. Als op dat moment bijvoorbeeld blijkt dat de transitievergoeding niet betaald wordt, is de reguliere termijn van twee maanden te kort. Er is dan immers al ongeveer een maand verstreken.
– In lid 5 is geregeld dat de behandeling van de in dit voorgestelde artikel bedoelde verzoeken niet later aanvangt dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.
– Lid 6 regelt dat de kantonrechter partijen, in overeenstemming met het huidige artikel 7:685 lid 9 BW alvorens een ontbinding als bedoeld in de artikelen 7:671b en 7:671c BW waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, moet informeren en een termijn moet geven waarbinnen het ontbindingsverzoek kan worden ingetrokken.
– Voor verzoeken op grond van de artikelen 7:677 en 7:681 BW is in lid 4 onderdeel b geregeld dat de bevoegdheid om een verzoekschrift in te dienen vervalt twee maanden na de dag waartegen de arbeidsovereenkomst is opgezegd. Om doorkruising van deze termijn van twee maanden te voorkomen, is in lid 7 geregeld dat artikel 55 van Boek 3 van het BW niet van toepassing is indien het een verzoek op grond van de artikelen 7:677 en 7:681 BW betreft.
Artikel 7:689 BW (Gefixeerde schadevergoeding):
– In het huidige artikel 7:689 BW wordt verwezen naar artikel 7:680 lid 2 BW. Aangezien artikel 7:680 BW vervalt, wordt dit artikel technisch aangepast. Inhoudelijk is geen wijziging beoogd.
Artikel 7:691 BW (Bijzondere regels voor de uitzendovereenkomst):
– Lid 2: de verplichting van de werkgever, bedoeld in artikel 7:668 lid 1, 2, 3 en 4 onderdeel a BW (informeren over al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst) niet geldt als er sprake is van een arbeidsovereenkomst waarin een uitzendbeding is opgenomen.
– Lid 3 regelt dat het uitzendbeding zijn kracht verliest indien de werknemer in meer dan 26 weken arbeid voor de werkgever heeft verricht. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de bevoegdheid van de werknemer tot opzegging als bedoeld in lid 2.
– In lid 4 wordt geregeld dat slechts de perioden waarin arbeid wordt verricht worden samengeteld indien deze elkaar opvolgen met tussenpozen van ten hoogste zes maanden.
– In lid 7 wordt voorgesteld te regelen dat bij schriftelijke overeenkomst – dus bij individuele arbeidsovereenkomst en bij cao – voor ten hoogste de eerste 26 gewerkte weken van de uitzendovereenkomst kan worden afgeweken van de loondoorbetalingverplichting, bedoeld in artikel 7:628 lid 1 BW. Artikel 7:628 lid 5, 6 en 7 BW wordt niet van toepassing verklaard zodat duidelijk is dat de in die leden gestelde eisen niet gelden in het kader van de uitzendovereenkomst.
– Lid 8: er kan bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken van de termijnen van 26 weken, bedoeld in lid 1, 3 en 5 tot ten hoogste 78 gewerkte weken (onderdeel a).
– Verder wordt geregeld dat het niet meer mogelijk is om bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan ten nadele van de werknemer af te wijken van de tussenpoos, bedoeld in lid 4. Van lid 5 kan bij cao of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan geheel worden afgeweken, zoals dat nu overigens ook mogelijk is.
Artikel 7:728 BW (Ontbinding van de zeearbeidsovereenkomst):
– Dit artikel wordt technisch aangepast omdat daarin wordt verwezen naar artikel 7:685 lid 3 BW dat in onderhavig wetsvoorstel komt te vervallen.
Artikel 2 WMCO (Toepasselijkheid):
– Met het vervallen van het BBA 1945 komt ook de beperking in het bereik van de WMCO te vervallen. Thans is dat bereik beperkt tot voorgenomen collectieve ontslagen waarop de UWV-procedure van toepassing is. Nu de UWV-procedure in beginsel ook van toepassing zal zijn op het opzeggen van arbeidsovereenkomsten van werknemers in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, in het onderwijs en van geestelijken, komen deze uitzonderingen als het gaat om de toepassing van de WMCO ook te vervallen.
Artikel 7 WMCO (Gevolgen van niet melding):
– In lid 1 wordt geregeld dat de opzegging door de werkgever of een op initiatief van de werkgever gesloten beëindigingsovereenkomst op verzoek van de werknemer door de rechter kan worden vernietigd indien de werkgever niet heeft voldaan aan één of meer van de verplichtingen genoemd in dat lid. Aan lid 1 wordt toegevoegd dat de rechter ook een vergoeding kan toekennen indien de in dat lid genoemde omstandigheden zich voordoen.
– In lid 2 wordt de termijn om een dergelijk verzoek te doen verkort naar twee maanden. De termijn van twee maanden gaat in op het moment dat het bij de werknemer bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn dat de werkgever niet voldaan heeft aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid. De werknemer kan uiterlijk tot zes maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst of het aangaan van de beëindigingsovereenkomst een verzoek doen als bedoeld in het eerste lid.
