Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkgeefster/werknemers
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 6 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2766
Levering van PIR-detectiesysteem door het eigen bedrijf van werknemers is in strijd met hun concurrentiebeding. Vordering werkgeefster tot staking van deze activiteiten toegewezen in kort geding.

Feiten

Werknemers A en B (hierna: werknemers) zijn respectievelijk per 1 juli 2019 en 9 januari 2020 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van werkgeefster. Werkgeefster is een onderneming die zich bezighoudt met het beveiligen van bouwplaatsen. In de arbeidsovereenkomsten met werknemers is een concurrentiebeding opgenomen dat hen verbiedt gedurende vijf jaren na het einde van de overeenkomst werkzaam te zijn bij een onderneming met activiteiten die soortgelijk, aanverwant of concurrent zijn met die van werkgeefster. Het beding verbindt een boete aan elke overtreding en het voortduren daarvan. In april 2021 hebben werknemers aan werkgeefster een voorstel gedaan om naast hun werkzaamheden voor werkgeefster een eigen onderneming te voeren die timelapse camera’s verkoopt (hierna: het bedrijf). In het voorstel is beargumenteerd waarom dit product niet concurreert met de activiteiten van werkgeefster. Werknemers zijn vervolgens begonnen met het bedrijf. Werknemers zijn op respectievelijk 31 juli en 31 augustus 2025 uit dienst getreden bij werkgeefster. Rond uitdiensttreding is gesproken over de werkzaamheden van het bedrijf. Op 21 augustus 2025 heeft werkgeefster hiervan een gespreksverslag gemaild aan werknemers waarop zij niet hebben gereageerd. In dit verslag stonden afspraken over een toekomstige samenwerking, waaronder de afspraak dat het bedrijf niet aan bouwplaatsbeveiliging zou doen. Rond april 2026 constateerde werkgeefster dat het bedrijf van werknemers systemen met PIR-detectie aan een klant ter beschikkking heeft gesteld. Werkgeefster heeft werknemers per brieven van 23 april 2026 laten weten dat dit in strijd is met hun concurrentiebeding, en hen gesommeerd onmiddellijk deze en vergelijkbare activiteiten te staken en gestaakt te houden. Werkgeefster vordert in kort geding werknemers te bevelen deze activiteiten te staken, een dwangsom op overtreding daarvan en betaling van een voorschot van de al verbeurde boetes. 

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft geen spoedeisend belang ten aanzien van de vordering tot betaling van een voorschot op de verbeurde boetes, nu de boetes zien op het verleden. Deze vordering kan dus wachten tot een bodemprocedure. Bij de overige vorderingen is wel sprake van spoedeisend belang. Werkgeefster kan zich niet beroepen op de afspraken die rond de uitdiensttreding van werknemers zijn gemaakt. Deze afspraken voldoen aan de wettelijke definitie van een concurrentiebeding, en zijn dus alleen geldig als die schriftelijk zijn overeengekomen, wat niet is gebeurd. Het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomsten van werknemers is wel geldig overeengekomen. Het feit dat hun functie is gewijzigd brengt daarin geen verandering, nu de wijziging niet zo ingrijpend was dat het beding opnieuw schriftelijk overeengekomen diende te worden. Het leveren van PIR-detectie door het bedrijf van werknemers is in strijd met het concurrentiebeding. De afspraken die rond de uitdiensttreding zijn gemaakt zijn wel van belang bij de interpretatie van het concurrentiebeding, en werknemers betwisten niet dat deze afspraken zijn gemaakt. Bouwplaatsbeveiliging is daarmee in strijd met het concurrentiebeding. Nu de PIR-systemen dienen tot vaststelling van beweging bij de bouwplaats en meldingen en beelden doorsturen in geval van detectie is daarvan sprake. Werknemers moeten de PIR-systemen verwijderen, en de kantonrechter legt een dwangsom op bij overtreding. Werknemers worden in de proceskosten veroordeeld.