Rechtspraak
Feiten
S. is van 1 januari 1974 tot 1 september 1993 in dienst geweest van de rechtsvoorganger van de Stichting, aanvankelijk als maatschappelijk werker, en sinds 1985 als sociaal-psychiatrisch werker. Op vrijdagavond 14 december 1990 om ongeveer elf uur heeft een reclasseringscliënt op S. bij hem thuis een aanslag gepleegd, waarbij hij ongeveer veertig keer met een ijzeren hamer op het hoofd is geslagen. Deze aanslag heeft plaatsgevonden in de deuropening van de woning van S. De dader heeft vervolgens een aanklacht wegens ontucht tegen S. ingediend, naar aanleiding waarvan S. op 18 februari 1991 is aangehouden. Hij is strafrechtelijk vervolgd en ten slotte door de rechtbank te 's-Hertogenbosch vrijgesproken. Op 20 december 1991 is S. per 6 januari 1992 arbeidsgeschikt verklaard. Met ingang van 1 maart 1992 is hij te werk gesteld in de halfopen gevangenis Maashegge te Stevensweert in de functie van penitentiair reclasseringsmedewerker. Na ongeveer drie maanden is S. arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 1 september 1993 is aan hem een invaliditeitspensioen toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. De Stichting verstrekt uit eigen middelen een maandelijkse aanvulling van 18%. S. vordert schadevergoeding op grond van artikel 7A:1638x (oud) BW omdat de Stichting, hoewel het haar bekend was dat haar medewerkers cliënten begeleiden die ook voor hun hulpverleners "gevaarlijk" zijn, niet de redelijkerwijs te vergen maatregelen heeft getroffen om de medewerkers, ook in hun privéleven, te beschermen.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt.
Zorgplicht werkgever ex artikel 7:658 BW houdt verband met 'zeggenschap over de werkvloer' en strekt zich in beginsel niet uit tot privéomstandigheden. Goed werkgeverschap kan onder bijzondere omstandigheden wel een zorgplicht met zich brengen
Blijkens r.o. 3.15 van haar vonnis is de rechtbank ervan uitgegaan dat, wanneer de aard van de werkzaamheden een verhoogd risico meebrengt dat iemand met wie de werknemer bij de uitvoering van die werkzaamheden contact heeft, hem in zijn privésituatie schade toebrengt, moet worden aangenomen dat zodanige schade aan de werknemer is overkomen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, tenzij de werkgever bewijst dat het optreden van die derde in geen enkel verband is te brengen met de uitvoering van de werkzaamheden.
Onderdeel I.1, dat klaagt dat dit uitgangspunt onjuist is, treft doel. De door de rechtbank gehanteerde maatstaf is noch met de bewoordingen, noch met de strekking van artikel 7A:1638x (oud) BW te verenigen. Naar zijn tekst gaat het in het eerste lid van dit artikel om een zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werkomgeving en de gebruikte werktuigen. Ook al dienen dit vereiste en het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen, ruim te worden uitgelegd, er bestaat geen goede grond deze, ook in het huidige artikel 7:658 BW vervatte vereisten geheel ter zijde te stellen en de werkgever ook aansprakelijk te achten voor ongevallen die de werknemer in zijn privésituatie zijn overkomen. De in artikel 7A:1638x (oud) BW neergelegde verplichting van de werkgever om de werkzaamheden zodanig te organiseren dat de werknemer is beschermd aan tegen zijn arbeid verbonden veiligheidsrisico's vloeit niet slechts voort uit de sociaal-economische positie van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer, maar houdt ook nauw verband met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid zijn werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. In de regel ontbreken deze zeggenschap en bevoegdheid als het gaat om de privésituatie van de werknemer. Dit brengt mee dat de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor ongevallen die de werknemer, ofschoon samenhangend met zijn werkzaamheden, in zijn privésituatie zijn overkomen, niet wordt beheerst door de bijzondere regeling van artikel 7A:1638x (oud) BW, maar telkens naar de omstandigheden van het gegeven geval moet worden beantwoord aan de hand van wat voor dat geval de eis om zich als een goed werkgever te gedragen meebrengt. Daarbij verdient opmerking dat voor een bevestigende beantwoording van deze vraag slechts plaats is onder bijzondere omstandigheden, waarbij voor gevallen als de onderhavige kan worden gedacht aan een, ook aan de werkgever bekend, specifiek en ernstig gevaar.
