Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 3 april 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:1052
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2019 in dienst getreden bij Fabiton B.V. (hierna: Fabiton) als verkoper buitendienst, eerst op basis van een jaarcontract en vanaf 1 januari 2020 voor onbepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Op grond daarvan mag werknemer gedurende één jaar na het einde van het dienstverband binnen de provincie Fryslân niet werkzaam zijn voor een onderneming die gelijksoortige of aanverwante activiteiten verricht als Fabiton. Fabiton houdt zich bezig met prefab betonproducten voor de bouw- en agrarische sector en daarnaast met gespecialiseerde reiniging van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 februari 2026. Daarbij is bekend geworden dat hij in dienst wilde treden bij FAB Riool en Wegenbeheer B.V. (hierna: FAB). FAB verricht eveneens reinigingswerkzaamheden van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur. Fabiton heeft werknemer erop gewezen dat indiensttreding bij FAB volgens haar in strijd is met het concurrentiebeding. Werknemer is per 1 februari 2026 uit dienst gegaan bij Fabiton, maar is vanwege het concurrentiebeding nog niet bij FAB in dienst getreden. Fabiton vordert in kort geding dat werknemer wordt verboden om tot 1 februari 2027 in dienst te treden bij FAB en/of gelieerde entiteiten. Werknemer verzoekt in reconventie primair schorsing van het concurrentiebeding en subsidiair een vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Geldigheid van het concurrentiebeding
De kantonrechter acht voorshands aannemelijk dat het concurrentiebeding geldig is gebleven. Volgens werknemer is zijn functie gedurende het dienstverband ingrijpend gewijzigd, omdat hij zich vanaf medio 2020 ook bezig is gaan houden met ademluchtactiviteiten. Daarom zou het beding zwaarder zijn gaan drukken en opnieuw schriftelijk overeengekomen moeten zijn. De kantonrechter volgt dat standpunt niet. Uit de werkzaamheden van werknemer blijkt volgens de kantonrechter niet van een wezenlijke functiewijziging, maar eerder van een verbreding van zijn bestaande functie. Daarbij is van belang dat werknemer zich ook tijdens het dienstverband is blijven bezighouden met verkoop en advisering en dat ademluchtactiviteiten volgens zijn eigen toelichting slechts een beperkt onderdeel van zijn werk vormden. Ook is de functiebenaming gelijk gebleven en is niet gebleken van een salarisaanpassing wegens gewijzigde werkzaamheden. Daarnaast heeft werknemer onvoldoende onderbouwd dat het concurrentiebeding door de functiewijziging aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Niet aannemelijk is geworden dat hij daardoor geen gelijkwaardige werkkring meer kan vinden buiten het geografische bereik van het beding of op een ander werkterrein. De kantonrechter gaat er daarom voorshands van uit dat de bodemrechter zal oordelen dat het concurrentiebeding zijn gelding niet heeft verloren.
Overtreding van het concurrentiebeding
De kantonrechter oordeelt dat FAB als concurrent van Fabiton moet worden aangemerkt. Dat de hoofdactiviteiten van beide ondernemingen verschillen, maakt dat niet anders. Beslissend is dat beide ondernemingen zich bezighouden met het reinigen van mest- en vergistingsopslagsystemen met behulp van ademluchtapparatuur en dus op dat terrein gelijke of soortgelijke activiteiten verrichten. Nu FAB bovendien is gevestigd in Fryslân, valt indiensttreding bij FAB binnen de geografische reikwijdte van het concurrentiebeding. Als werknemer daar in dienst treedt, overtreedt hij dus het beding.
Belangenafweging
De kantonrechter is van oordeel dat het belang van Fabiton bij handhaving van het concurrentiebeding zwaarder weegt dan het belang van werknemer bij indiensttreding bij FAB. Daarbij is van belang dat werknemer bij Fabiton specifieke kennis en ervaring heeft opgedaan met betrekking tot de ademluchtactiviteiten, waaronder kennis van klanten, bedrijfsvoering, marktpositionering en concurrentiestrategie. Volgens de kantonrechter heeft Fabiton voldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer over concurrentiegevoelige informatie beschikt die FAB een voordeel kan geven op een markt waarop FAB een nieuwe speler is. Daartegenover heeft werknemer aangevoerd dat hij zich bij FAB verder kan specialiseren en daar een mooie carrièrestap kan maken. De kantonrechter vindt dat onvoldoende zwaarwegend. Daarbij telt mee dat werknemer zelf ontslag heeft genomen met het doel om bij FAB in dienst te treden, terwijl Fabiton hem vooraf had gewezen op het concurrentiebeding. Ook is van belang dat het beding geografisch is beperkt tot Fryslân en dat onvoldoende is gebleken dat werknemer buiten die provincie of binnen Fryslân op een ander werkterrein geen werk zou kunnen vinden. De kantonrechter acht daarom niet aannemelijk dat werknemer door handhaving van het concurrentiebeding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van Fabiton.
Verbod en vergoeding
De kantonrechter wijst de vordering van Fabiton toe en verbiedt werknemer om tot 1 februari 2027 in dienst te treden bij FAB en/of aan haar gelieerde entiteiten binnen de provincie Fryslân. De vordering van werknemer tot schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen. Ook de subsidiair gevorderde vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW wordt afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat werknemer door het beding in belangrijke mate wordt belemmerd om ander werk te vinden.
