Rechtspraak
Feiten
Werknemer is in dienst van de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V. (hierna: SLM). Werknemer is eerst voor onbepaalde tijd in dienst. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is op enig moment in onderling overleg beëindigd en opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegen gewijzigde salaris- en secundaire arbeidsvoorwaarden. Volgens SLM is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd per 31 december 1981 van rechtswege geëindigd. Op 26 maart 1982 heeft werknemer zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek SLM te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van f 14.499 en een bedrag van f 14.000, zijnde het door SLM aan hem verschuldigde salaris over de periode januari/februari 1982 en een bedrag van f 7.000 per maand met ingang van 1 maart 1982 totdat het dienstverband op regelmatige wijze zal zijn geëindigd. De kantonrechter heeft SLM veroordeeld aan werknemer f 27.933,32 te betalen. Tegen dit vonnis heeft SLM hoger beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij vonnis van 9 mei 1984 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Tegen het vonnis van de rechtbank heeft werknemer beroep in cassatie ingesteld.
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het materiële geschilpunt van partijen betreft de vraag of voor beëindiging van hun overeenkomst opzegging was vereist. De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft zij eerst onderzocht of ingevolge de ter zake geldende wettelijke bepalingen, en vervolgens of ingevolge het op 1 juli 1981 tussen partijen gesloten arbeidscontract opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen was vereist, telkens met negatief resultaat. Bij de beoordeling van onderdeel I moet worden vooropgesteld dat de kantonrechter uitdrukkelijk had beslist dat ‘der partijen rechtsrelatie’ – wat niet anders kan worden begrepen dan de ingevolge voormeld arbeidscontract tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst – ‘beheerst wordt door Surinaams recht’. SLM heeft tegen deze beslissing geen grief gericht; dat werknemer in appèl tegen deze beslissing is opgekomen, blijkt uit het bestreden vonnis evenmin. Bij deze stand van zaken moest de rechtbank ervan uitgaan dat de arbeidsovereenkomst van partijen werd beheerst door Surinaams recht en dat ook beide partijen daarvan uitgingen.
Tegen deze achtergrond moet de overweging van de rechtbank dat met betrekking tot de vraag of ingevolge de ter zake geldende wettelijke bepalingen opzegging van de arbeidsovereenkomst was vereist, ‘in het midden kan blijven of op die overeenkomst Nederlands of Surinaams recht van toepassing is, omdat beide rechtstelsels op dat punt geen wezenlijke verschillen vertonen’, aldus worden begrepen dat de rechtbank uit de omstandigheid dat beide partijen, ondanks hun evenbedoeld uitgangspunt, bij hun debat over die vraag Nederlandse wetsbepalingen – en met name artikel 1639f derde lid BW – ter sprake brachten, heeft afgeleid dat het ervoor valt te houden dat het Surinaamse recht een met genoemde bepaling overeenstemmende rechtsregel inhoudt. Uitgaande van deze veronderstelling heeft de rechtbank vervolgens onderzocht of ingevolge deze rechtsregel opzegging was vereist en geoordeeld van niet.
De rechtbank heeft aldus oordelend een – veronderstelde – regel van Surinaams recht toegepast. Nu zij ervan is uitgegaan dat deze regel naar zijn inhoud overeenstemt met artikel 1639f derde lid BW, zou cassatie moeten volgen indien dat oordeel blijk zou geven van een onjuiste opvatting van die Nederlandse wetsbepaling. Dat is echter niet het geval.
Van een verkeerde opvatting van artikel 1639f derde lid BW waaraan de gedachte ten grondslag ligt dat bij voortzetting van een dienstbetrekking de werknemer de met het vereiste van opzegging samenhangende ontslagbescherming in ieder geval toekomt, zou sprake zijn geweest indien de rechtbank het beroep van werknemer op deze wetsbepaling zou hebben verworpen omdat zij ervan zou zijn uitgegaan dat de woorden ‘indien een voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking is voortgezet’ eraan in de weg zouden staan die bepaling ook toepasselijk te achten indien, zoals volgens werknemer hier het geval was, een dienstbetrekking die voor een onbepaalde tijd is aangegaan, is voortgezet voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft dat beroep evenwel verworpen, omdat zij heeft geoordeeld dat te dezen geen sprake was van ‘voortzetting’ in de zin van deze wetsbepaling, nu de dienstbetrekking met betrekking waartoe moet worden beslist of opzegging daarvan was vereist, van de daaraan onmiddellijk voorafgaande te zeer verschilde, immers niet alleen voor wat betreft de tijdsduur, maar ook voor wat betreft de salaris- en secundaire arbeidsvoorwaarden . Dit op waarderingen van feitelijke aard berustende oordeel – dat als zodanig in cassatie trouwens niet is bestreden – geeft geen blijk van een onjuiste opvatting van artikel 1639f derde lid BW. De Hoge Raad verwerpt het beroep.
