Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 30 mei 2025
ECLI:NL:RBNNE:2025:4842
Opzegging wegens langdurige arbeidsongeschikt. Werknemer verzoekt herstel van het dienstverband of een billijke vergoeding.

Feiten

Werknemer is vanaf 8 oktober 2018 op basis van een uitzendovereenkomst uitgeleend aan inlener. Op 1 januari 2020 is werknemer als isolatiemedewerker in dienst getreden bij deze inlener. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 3.599,00 bruto per maand op basis van een werkweek van 40 uur. Op 7 september 2022 is werknemer arbeidsongeschikt geraakt, waarna hij op 13 december 2022 melding heeft gedaan van een arbeidsongeval bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Vervolgens heeft werknemer werkgever aansprakelijk gesteld, omdat hij meent dat hij gezondheidsproblemen heeft gekregen als gevolg van een of meer schadelijke factoren en invloeden van de werkzaamheden. Uit een arbeidsdeskundig onderzoek volgt dat de eigen functie wegens de belastbaarheid niet passend is, niet passend is te maken en er ook geen ander passend werk beschikbaar is. Daarnaast lijkt er ook sprake te zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. Op 31 oktober 2023 is het tweedespoortraject ingezet. Dat verloopt echter niet soepel en eindigt zonder resultaat. Het UWV heeft eind november 2024 toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, waarna deze is opgezegd tegen 19 januari 2025. Bij beslissing van 7 januari 2025 heeft het UWV medegedeeld dat werknemer geen aanspraak kan maken op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Werknemer verzoekt onder meer herstel dienstverband of een billijke vergoeding, en een transitievergoeding.

Oordeel

Tijdige indiening verzoeken en bezwaar tegen producties

De kantonrechter oordeelt dat de verzoeken van werknemer binnen de gestelde termijn zijn ingediend. Het bezwaar van werknemer tegen indiening van de producties bij verweerschrift slaagt niet omdat de processuele belangen van werknemer daardoor niet zijn geschaad.

Toetsing ontslaggronden en herstel dienstverband

Werknemer heeft op de zitting verklaard dat hij, gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen, terugkeer naar werkgever niet langer mogelijk acht. Desondanks heeft hij aangegeven het verzoek tot herstel van het dienstverband te willen handhaven, in verband met de eventuele mogelijkheid van een hoger beroep. Nu werknemer verzoekt om herstel van het dienstverband moet de kantonrechter beoordelen of de ontslagvergunning terecht is verleend. De kantonrechter kan daarbij niet volstaan met een beoordeling of het UWV tot een juist oordeel is gekomen, maar zal volledig moeten toetsen of er sprake is van een redelijke grond voor ontslag en of aan de herplaatsingsverplichting is voldaan. De wachttijd van 104 weken is verstreken. Werkgever heeft voldoende aangetoond dat werknemer de bedongen arbeid niet binnen 26 weken in aangepaste vorm kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat de bedongen functie niet passend kan worden gemaakt. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat herplaatsing van werknemer geen reële optie (meer) is omdat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek tot herstel van het dienstverband wordt afgewezen.

Billijke vergoeding en transitievergoeding

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werknemer onvoldoende onderbouwd dat werkgever de re-integratieverplichtingen (ernstig) heeft veronachtzaamd. Voor zover werknemer  heeft willen betogen dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door meerdere loonsancties op te leggen gaat de kantonrechter daaraan voorbij, omdat werknemer daartoe ook aanleiding heeft gegeven. Niet is aangetoond dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het verzoek om een billijke vergoeding wordt afgewezen. Dit geldt ook voor de betaling van de transitievergoeding omdat werkgever deze reeds heeft betaald.