Naar boven ↑

Nieuwsbericht

NRC

03-05-2022

Lonen stijgen weer fors: gemiddeld 3,3 procent per jaar erbij in nieuwe cao’s

Na een aantal magere jaren, beginnen de lonen weer flink te stijgen. Maar een inflatiecorrectie is het nog lang niet. Het heeft jaren geduurd, maar de loongolf lijkt nu echt begonnen. De gemiddelde loonstijging heeft vorige maand het hoogste punt bereikt sinds de financiële crisis van 2008.

Dat blijkt uit voorlopige cijfers van werkgeversorganisatie AWVN. Werkgevers en vakbonden spraken in april loonstijgingen af van gemiddeld 3,3 procent per jaar in hun onderhandelingen over nieuwe collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s).

Het kan even duren voordat werknemers het extra geld terugzien op hun loonstrookje. Werkgevers hoeven de afgesproken loonstijgingen meestal pas na enkele maanden door te voeren.

Eind 2019 kwam door de arbeidskrapte ook al een loongolf op gang, met loonafspraken boven de 3 procent, maar die kwam abrupt tot stilstand toen het coronavirus zich aandiende. In de eerste maanden van de pandemie sloten werkgevers en vakbonden nauwelijks nieuwe cao’s af, uit vrees voor een zware economische crisis. En in de cao’s die wél werden afgesloten, bleef de loonstijging laag. Met als dieptepunt de gemiddelde loonstijging van 1,7 procent in november 2020 en maart 2021.

De economie herstelde zich snel, maar de lonen bleven achter. Dat is niet ongebruikelijk volgens de AWVN, die werkgevers adviseert bij cao-gesprekken. „De loonafspraken volgen de ontwikkelingen in de economie met enige vertraging”, zegt woordvoerder Jannes van der Velde.

Uitschieter bij parketvloeren

In april telde de AWVN tot nu toe 21 nieuwe cao-afspraken. Dat is nog geen definitief cijfer: door de meivakantie kan er enige vertraging in de registratie zitten. Uitschieter is vooralsnog de cao Parket, voor de ongeveer 800 werknemers in de parketbranche. Daar gaan de lonen met ruim 5 procent per jaar omhoog, kwamen vakbonden en werkgevers deze maand overeen. Drie jaar op rij groeit de ‘loonschaal’ van de vloerenleggers met 50 euro bruto. Daarbovenop komt een jaarlijkse loonsverhoging van 3 procent.

Dat zit in de buurt van wat vakbond CNV had gevraagd, zegt bestuurder Roel van Dijk. Dat de vakbondseis grotendeels werd ingewilligd, komt volgens hem mede door de personeelstekorten. De vraag naar mensen die vloeren kunnen leggen, is groot.

Van Dijk: „Het is geen pretje om de hele dag op je knieën hout te leggen. Het is fysiek zwaar.” Werkgevers, zegt de CNV-bestuurder, zullen het werk dus op andere manieren aantrekkelijk moeten houden. Met een goed salaris bijvoorbeeld.

De personeelstekorten verklaren, naast de snel oplopende inflatie, de hogere loonstijgingen, zegt Paul de Beer, hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij vindt de loonstijging „gezien de huidige situatie” nog steeds „gematigd”. „Zeker als je ziet dat vakbond FNV al een paar jaar 5 procent loonsverhoging eist. Een paar jaar geleden leek dat nog te hoog gegrepen, nu is dat helemaal geen onredelijke eis meer.”

De prijzen liggen nu zo’n 11 procent hoger dan een jaar geleden, vooral doordat energie en brandstoffen snel duurder zijn geworden. Die hoge inflatie dupeert werknemers én werkgevers. In iedere cao-onderhandeling ligt daardoor de vraag op tafel: wie gaat de prijsstijgingen betalen?

Werkgevers zien het niet als hun taak om de koopkracht van de Nederlandse bevolking op peil te houden. Bovendien zijn zij onzeker over de economische vooruitzichten, volgens de AWVN.

‘Geld naar aandeelhouders’

Vakbond FNV heeft het gehad met die argumenten. „Werkgevers vinden altijd wel redenen om lonen niet te verhogen”, zei voorzitter Tuur Elzinga onlangs in een radio-interview met BNR. „Het is net voor, tijdens of na een crisis.” Ook voor corona, zei Elzinga, was er weinig bereidheid tot loonsverhogingen. „Het geld is er wel, het gaat alleen naar de aandeelhouders.”

Maar Elzinga kan niet ontkennen dat bedrijven nu met twee crises te maken hebben, zegt Van der Velde van werkgeversclub AWVN. „Het tekort aan grondstoffen en de stijgende prijzen van grondstoffen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. En daarnaast de problemen met China als aanbodland, waar veel productiecapaciteit nog steeds is uitgeschakeld.”

En ja, zegt Van der Velde, óók bedrijven die nog geen problemen ervaren, zijn voorzichtig. „Als je eenmaal een structurele loonsverhoging hebt gegeven, raak je die kostenpost niet meer kwijt.” Daarom is de AWVN voorstander van meer flexibele beloningen, zoals winstdeling.

Hoe ver kan de loonstijging nog omhoog? De laatste keer dat de inflatie opliep richting de 10 procent – in de jaren zeventig – stegen de lonen nóg sterker. Maar de macht van de vakbond is sindsdien sterk afgenomen. Was in de jaren zeventig meer dan een op de drie werknemers lid van een vakbond, nu is dat ongeveer een op de zeven.

Toch wil hoogleraar De Beer van de UvA een stevige loongolf zoals in de jaren zeventig niet uitsluiten. „Het is moeilijk te voorspellen hoe dit afloopt”, zegt hij. „Maar de matige loonontwikkeling van de afgelopen veertig jaar hoeft niet een blijvend verschijnsel te zijn.”

Vooral voor werkgevers die last zeggen te hebben van personeelstekorten, is het niet meer dan logisch om de lonen veel verder te verhogen, vindt De Beer. „Het is merkwaardig als je aan de ene kant klaagt dat je te weinig personeel hebt en tegelijkertijd zegt dat je geen ruimte hebt om de lonen te verhogen.”